Boekgegevens
Titel: Proeve van Platamsterdamsch
Auteur: Lennep, J. van; Halbertsma, J.H.
Uitgave: Deventer: J. de Lange, 1845
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6081
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201273
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Dialecten, Amsterdam (stad)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Proeve van Platamsterdamsch
Vorige scan Volgende scanScanned page
23
Blz. 3. IIACCHIE, leven, ffack, hak, betee-
kent bet uiterste puntje, het uiteinde van een
ding. Scand. haki , extremitas alicujus rei. Hach"
je i^leesch , spek , gelijk men zegt hoekje voor een stuk-
je, en in Noordholl. een endje stik voor een boterham,
>ï Dat hachje leyler toe , het mach er ligge rotte ,
»1 't Is beter daer as voor de muysen of de rotte."
Tr. Corn. Klucht. 1345. Hier voor endje leven.
Ifij schoot er het hachje hij in, is zoo veel als het
endje leven, zijn leven. Kil. hacke, ultimus, ex-
tremus , postremus , meest , zegt Kil. in eenen kwa-
den zin. A^an daar buitensporig , die in uitersten
loopt, onberaden. Scand. hakr , homo praeceps ,
vehemens. Ons hachie, waaghals , in oud JVederi.
hach, het uiterste gevaar; thans nog over in
hach-lijk.
POI, pui, thans halcon, het uitstek aan den
gevel van een stadhuis, vanwaar de raadsbesluiten
en wetten afgelezen worden; later het gedeelte van
den gevel onder de puie, waarvoor de pilaren
stonden , die de pui ondersteunden.
YAN DEN PiUIVS GEE^f KWAAD WETEN,
iedereen heelt op prinsen en hun bestuur wat
te zeggen. Die van den prins dus in *t geheel
geen kwaad weet, moet wel zeer argeloos zijn en
van niemand kwaad vermoeden. Misschien dagtee-
kent deze spreekwijze van de worstelingen der zoo-
genaamde Loevensteinsche factie tegen de prinsen
van Oranje.
SCHILDEREN, venven. Fijnschilder, schilder.
Het Amsterdamsch neemt schilder nog in den
ouden oorspronkelijken zin, toen dit woord ie-
mand beteekende , die de krullen , kleuren en figu-
ren op een schild verwde, hetwelk meer fabrijk-
dan kunstwerk was. Nadat eindelijk de schilder-
kunst hieruit geboren was, noemde men hare be-