Boekgegevens
Titel: Leesboek voor de volksschool
Deel: Dl. 8 Bonte steenen
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1875
5e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6038
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201247
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
89
Die wapp'ren, waar bij gaat.
Zijn pels van bont is wit gehaard,
En kegels hangen aan zijn* baard.
Zijn adem is de noordenwind.
Zijn snuiven is de orkaan;
Hij is de schrik van vrouw en kind:
Die ziet hij 't grimmigst aan;
En wie hem kwaad maakt <— tot zijn' straf
Snijdt hij hem neus en ooren af.
Hij jaagt de sneeuwwolk op als stof
En plundert boom en heg
En steelt uit eiken gaard en hof
De laatste bloemen weg
En schildert op de vensterruit
Al 't loover, dat hij maakt ten buit.
Schudt hij zijn hoofd — dan stuift de rijm
Als poeier uit zijn' pruik;
Hij maakt, dat de olie dik als lijm
Ons vastvriest in de kruik;
Hij smijt, alsof het strooigoed was,
Zijn hagelsteenen tegen 't glas.
Maar blaast hij hard en woedt hij fel,
Hier dicht bijeengeschaard,
Hier zitten wij nog warm en wel
Geschoven om den haard
En roepen, kleppend met de tang:
De kachel krijgt een' roode wang!
De winter is een stuursche vent;
Toch houdt hij elk te vrind.
Wie tot verzachting van de ellend
Geluk in 't weldoen vindt;
Schoon hij ons klappertanden doet,
Hij stookt in 't hart een' dubb'len gloed.