Boekgegevens
Titel: Leesboek voor de volksschool
Deel: Dl. 8 Bonte steenen
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1875
5e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6038
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201247
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
71
door struik en struweel. Somwijlen is het wild van verre
in 't gezicht, waar het, in vliegenden ren, eensklaps op den
top eens heuvels verschijnt, om weer zoo plotselijk daar
achter te verdwijnen, als had het zich in eenen afgrond
geworpen; dan verdubbelt zich het rumoer, en de vroolijke
kreten der jagers schallen onder het horengeluid, als ware
de vreugde der overwinning reeds behaald.
Maar hoe nu? ... . Wat vertraging is daar in den troep
en verwarring bovendien? Wat snuffelen zij verlegen rond,
daar aan den ingang van dat kleine boschjen onder die jonge
berken?____Zij verdeelen zich in drie hoopen, waarvan ieder
eenen anderen weg wil. Hooit dat bestraffen, dat aanhit-
sen der jagers, die zich met eindeloos en driftig geroep
van alle kanten daar rondom komen verzamelen. Hebben
de wakkere dieren reuk verloren?----
In waarheid! Het hert heeft hun den wissel gegeven:
hoe snel ook zijne vaart was — het heeft daar toch het ver-
laten leger van een ander hert bespeurd en er zich neerge-
worpen, plat op den buik, met de vier pooten daaronder,
terwijl het zijnen heeten adem in de koelte en vochtigheid
van don grond blies.
Er is een oogenblik oponthoud.
Maar ook niet meer dan een oogenblik.
De list heeft tot niets meer gebaat. Een der ijverigste hon-
den, in jacht bij jacht geoefend, heeft met rusteloos snuf-
felen de plek gevonden, waar het hert met eenen kolossalen
sprong uit het leger, 'teerst weer voet zette en toen, na
herhaling van nog een paar andere van weinig minder om-
vang, weder in schuinsche zij-richting voorwaarts stoof.
Ziet ge verder, daar ginds in het diepst van het dal, die
schoone groep hoogopgaand eiken- en beukenhout, wer-
waart de breede jachttrein heen golft? Dat is daar eene lie-
felijke plek, een doorschijnende waterpoel, zwaar bruin waar
de snelle zonnestralen hem overvallen, maar in de schaduw
een sterk-donkere spiegel, die de bloemen aan zijnen boord
en de stammen aan zijne helling en de dichte looverlagen.