Boekgegevens
Titel: Leesboek voor de volksschool
Deel: Dl. 8 Bonte steenen
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1875
5e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6038
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201247
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
54
woede en kracht. Gij gevoelt de geringheid van ons vermo-
gen tegenover het reusachtig geweld der natuur.
De toenemende storm zweept de wateren voort, en de
golfslag klotst en bonst aan den voet van het duingevaarte,
waarop gij u hebt nedergelegd. De zee spoelt er het zand
weg, dat door instorting van boven wordt aangevuld. Is hij
een verstokte roover — die oude Oceaan, zoodat hij zelfs de
duinen niet onaangeroerd kan laten liggen ? Wees rechtvaar-
dig — die duinen zijn zijn eigendom. Hij zelf heeft ze lang-
zamerhand in den loop van duizenden en duizenden jaren
opgeworpen; hij zelt heeft ze gevormd uit den schat der
zandkoirels, door de rivieren van de bergen gesleept en aan
4ijne bewaring toevertrouwd. Neen — hij is geen roover, hij
neemt slechts, wat hij zelf heeft gewrocht.
Moge de bemanning van het hecht gebouwde, wél getuigde
en goed bestuurde vaartuig in volle zee zich weinig bekreu-
nen om den storm — wee de ongelukkigen, die bij het woe-
den van den orkaan lager wal zien en er hun onvermijdelijk
verderf te gemoet snellen. Zij willen afhouden van de kust;
maar de zeilen scheuren aan flarden, de masten kraken, de
baren rollen donderend over de boorden, en het geslingerd
vaartuig gehoorzaamt niet langer aan het roer. De storm heeft
het in zijne ijzeren armen geklemd en danst er woest mede op
de wateren; hij springt er mede in den afgrond van het golfdal
of werpt het met reuzenkracht op den top eener baar. Inmid-
dels nadert hij meer en meer tot de kust. Ziet gij die witte
streep, door hooge, zwarte golven gedragen? Dat is de
branding, — derwaarts strekt zijn verlangen zich uit, —
daar wil hij, als het speelzieke kind den broozen notendop,
het schip verpletteren en verbrijzelen op de zandbank, ter-
wijl zijn gehuil zich als een hoongelach verheft bij de wan-
hoopskreten der rampzalige schipbreukelingen.
Maar ook van bekoorlijke tafereelen kunt gij getuige we-
zen, wanneer gij u aan het strand der zee bevindt. Gij be-
zoekt in den zomer een onzer Friesche eilanden, en gedu-
rende eenen zoelen nacht bij helder maanlicht spoedt gij u