Boekgegevens
Titel: Leesboek voor de volksschool
Deel: Dl. 8 Bonte steenen
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1875
5e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6038
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201247
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
52
Hij strekt zich in de biezen
Het kind, als waar' het moe,
De dood rilt over 't knaapje
En luikt zijne oogjes toe.
Zijn moeder zoekt des avonds,
Waarheen hij was gegaan:
Zij zag er nog zijn stapjes
In 't pad bevroren staan.
Men zocht, men vond — het lijkje;
Men droeg het door den mist;
De moeder zette 't lampken
Bij de enge kinderkist
En 's andrendaags voor eeuwig
Droeg men haar zoontje heen,
De droeve moeder keerde.
De moeder was alleen.
R. Löveling,
31. - DE ZEE.
Wie heeft niet meermalen gewandeld aan den oever dei-
zee? Wie kan den indruk vergeten, dien de woelende wa-
tervloed op hem maakte, toen hij dien de eerste maal aan-
schouwde? Wie zal het niet erkennen, datdie indruk telkenmale
vernieuwd en verlevendigd wordt, zoo vaak men terugkeert
naar het strand? En welk eene verscheidenheid ontwaren
wij op dien schijnbaar zoo eenvormigen waterspiegel! Maar
hoe zelden is hij inderdaad een spiegel, die als in een effen
glas de drijvende wolkjes kalm terugkaatst. Doorgaans toch
rimpelen zijne golven en verheffen zich zijne baren, en vaak
vertoont hij zich in zijne volle woestheid en kracht, wanneer
het schuim der branding rondspat in glinsterende diamanten.
Wilt gij de zee zien en genot hebben van dat schouwspel,
begeeft u dan niet naar de bedijkte kust, waar's menschen