Boekgegevens
Titel: Leesboek voor de volksschool
Deel: Dl. 8 Bonte steenen
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1875
5e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6038
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201247
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
45
legt zijne beenen over elkander, vertelt het een of ander
nieuws met eene luid klinkende stem, en, als hij gelooft
grappig te zijn, wenscht hij zich zelf geluk met een scha-
terenden lach, dien hij drie- of viermaal, wanneer hij ver-
flauwt en spoedig dreigt te zullen uitsterven, weder weet
op te beuren en met een verdubbeld gedruisch te vernieuwen.
Wanneer hij zich aan tafel zet, draagt hij wel zorg, dat
zijn lichaam, 't welk eene aanzienlijke ruimte inneemt,
gemakkelijk geplaatst is en dat aan beide zijden zijne elle-
bogen zich vrij bewegen kunnen. Ilij eet met eene smake-
lijke gretigheid en past wonder wel op, om van alles
wat hem het best aanstaat, overvloedig voorzien te zijn
en in eten en drinken niet te kort te komen. Zoodra de
grootste honger gestild is en zijne natuurlijke en onbe-
suisde vroolijkheid door eenige glazen wijn is opgewekt en
verlevendigd, maakt hij zich meester van de conversatie,
valt hun, aan wie hij den grootsten eerbied verschuldigd is, in
de rede, voert het hoogste woord en overschreeuwt het
gansche gezelschap. Komt men hem aan boord met eene
geestige scherts, om hem zijne onbeschaamdheid zachtjes
te doen merken, dan — óf hij voelt ze niet, óf hij weet
zich er stoutmoedig uit te redden met eenige vrijpostig
uitgesproken, ruwe zetten, waar het meest doorslepen ver-
stand door overvallen, niet op weet te antwoorden en waar-
door de volkomene overwinning aan zijne zijde schijnt te
blijven. Dewijl men weet, dat zijne stoutheid spruit uit
ongemanierdheid alleen, die aan hem niet kan worden
geweten, en dat hij anders een eerlijk man en gedienstig
vriend is, wien het zelfs aan verstand niet ontbreekt in
zaken, waarvan hij begrip heeft, zoo verschoont men hem
gemakkelijk, en men heeft daar gelijk in. Niemand toont
er zich over verstoord, men gewent er zich aan, 'tverschaft
stof tot lachen, hetgeen het aangenaamste geschenk is, dat
men grooten geven kan. 't Zou hun spijten, indien hij zich
zeiven spoediger leerde kennen, zoo hij omzichtiger en meer
bescheiden werd. Op die wijze geraakt hij allengs in het