Boekgegevens
Titel: Leesboek voor de volksschool
Deel: Dl. 8 Bonte steenen
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1875
5e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6038
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201247
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
39
•wie op tien schreden afstands van den stam stond, sloeg
den blik tevergeefs naar boven. Een ondoordringbaar gewelf
van donkergroen waringinloover omringde hem van alle
zijden. Mocht men alzoo den top des booms niet dan op
eene tegenoverliggende hoogte kunnen waarnemen, de stam
bood een onoplosbaar geheim aan. 't Was een woud van
kromme, knoestige, breede takken, 't welk om den hoofd-
stam in zoo grillige vormen was heen gekronkeld, dat men
beide bestanddeelen onmogelijk konde onderscheiden en slechts
eene wilde, zonderling verwarde menigte van knobbelige
stammen gewaar werd, die in hartstochtelijke omarming
elkaar poogden te verstikken of wel als oorlogzuchtige reu-
zenslangen in krampachtige bochten waren versteend. Een
heir van takken schoot, 't zij kronkelend naar omhoog,'t zij
naar alle zijd«n in 't ronde. Ieder van deze mocht op zich
zeiven een prachtige boom geacht worden, zoo schatrijk in
neventakken, zoo weelderig met glansrijk, blauwgroen ge-
bladert getooid. Eene dichte, koele schaduw heerschte op
geruimen afstand rondom den stam, slechts zelden hier en
daar door een handvol blonde zonnevonken afgewisseld, waar
het groen bij een licht ruischen van den wind een enkelen
straal in het koele heiligdom der schaüw gevangen hield,
't Eigenaardigst en het meest boeiend waren de haast lood-
rechte twijgen, welke, van de hoofdtakken naar beneden
dalend, zich allengs eene eigene plaats in den grond hadden
verzekerd en thans als zelfstandige boomen den grijzen
waringin met bloeiende zuilen schoorden. Zoo ontstond een
nieuw woud rondom den hoofdstam en omsloot het van
alle zijden, gelijk talrijke neerstortende waterstralen, die
eene hoog opspringende fontein met vroolijk gejubel omplas-
sen. Inderdaad eene reusachtige waterkolom, die met woedend
geweld — als kwam zij uit den krater eens vulkaans — naar
boven schoot, in duizenden zijstroomen naar beneden stortte
en eindelijk door den tooverstaf eener fee in levend groen,
takken en bladeren herschapen werd — ziedaar het meest
passend beeld voor dezen grootvorst der wouden.