Boekgegevens
Titel: Leesboek voor de volksschool
Deel: Dl. 8 Bonte steenen
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1875
5e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6038
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201247
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
28
met het stuk roggebrood, dat God hun gegund had. Hunne
wereld had enge grenspalen: langs de eene zijde het dorp
en zijn ootmoedig kerkje, langs de andere de onmeetbare
heide en de grenzenlooze kimme.
En nochtans, alles lachte en zong in en rond de eenzame
woning; er was vreugde en genot in ruime mate, en nie-
mand dezer arme lieden zou zijn lot tegen een schijnbaar
beter verwisseld hebben.
Arme lieden! zij dachten niet aan de groote maatschappij,
die daar verre in de steden krielt; haar niets vragende,
meenden zij, dat zij zich hunner nimmer herinneren zou, en
zij leefden met betrouwen voort in hunne schoone en zoete
ellende. Maar op eens kwam men van de leemen hutjes
den tol des bloeds afeischen."
Zoo begint het eenvoudig-schoone verhaal van Conscience, geti-
teld »De Loteling.^'' Tot goed verstand van een gedeelte dezes ver-
baals, dat door ons genoemd is: «de brief aan den recmut"" diene
het volgende: Men kwam van de leemen hu^es den toi des bloeds
afeischen: Jan moest loten, en'tongeUik trof hem, soldaat te moeten
worden. Veel werd er geweend en getreurd, vele middelen beproefd,
om den dierbaren jongeling tc huis en buiten alle verleiding van
slechte kameraden te houden, maar tevergeefs. In het volgende
vooijaar was het uur der afreize verschenen.
Daar voor de hutten staat een schoone jonge man met
den gaanstok over den schouder geslagen en het pakje op
den rug. Zijne anders zoo levendige oogen dwalen nu lang-
zaam rond: zijn aangezicht is kalm, en alles schijnt stilte
des gemoeds in hem te verraden, daar nochtans het hart
hem hevig klopt en zijne borst in doffe hijgingen zwelt en
daalt. Zijne moeder houdt eene zijner handen vast en over-
laadt hem met betuigingen der warmste liefde; de arme
vrouw weent niet: hare wangen beven onder het geweld
dat zij doet, om hare smart te verbergen. Zij lacht haar
kind toe, om het te troosten; maar die lach, bedwongen
en pijnlijk, is droever nog dan de bitterste klacht.
De andere weduwe is bezig met het kleine jongsken te
stillen en wijs te maken, dat Jan gauw terugkomen zal;