Boekgegevens
Titel: Leesboek voor de volksschool
Deel: Dl. 8 Bonte steenen
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1875
5e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6038
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201247
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
dan waar zijn: Zou mijn werk geen waarde meer hebben
als ik het aanbied?... Jezus Maria!" riep hij hartstochtelijk,
zich met de hand voor het voorhoofd slaande, en, — toen
op eens meester Daniël met eenen somberen blik aanziende:
»Daniël, ge hebt gelijk, het is ellendig gesteld met mij!"
»Als dät waar is, dan heeft meester Daniël Aldenhoven
er de grootste schuld aan. Geldschieters en kunstenaars
onder één dak, dat's niet oirbaar, dat's een veeg teeken en
spelt weinig goeds,"
Deze strenge woorden werden op niet minder strengen toon
uitgesproken door eenen man, die, de huisdeur open gevonden
hebbende, zonder veel plichtplegingen was doorgedrongen en
op deze wijze zijne tegenwoordigheid in de werkplaats van
den schilder aankondigde. Meester Daniël wierp den onwel-
komen gast eenen woedenden blik zijner valsche grijze oogen
toe en bromde tusschen de tanden eenige onverstaanbare
woorden. Het een noch het ander scheen den binnentredende
af te schrikken, die zich zonder veel moeite door of over de
hindernissen op den vloer eenen weg baande naar den ezel
en, Jan Steen op den schouder kloppende, vervolgde:
»Dat is een braaf stuk, dat ge daar op den ezel hebt, en
't zou wel eeuwig zonde en jammer zijn, als de man, die
zoo iets schilderen kan, zeggen moest, dat het ellendig met
hem gesteld was. Bijlo! dat moet hem zijn ingeblazen door
de eene of andere booze tong."
Nog een blik, vol machtelooze woede, werd door meester
Daniël op den stouten spreker geslagen, — een blik, die
getuigde, hoe zeker hij zich reeds had gewaand van zijne
prooi, — en toen sloop hij naar de deur op eene wijze,
welke Jan Steen, die zijne ellende reeds weder vergeten
scheen, lachende deed zeggen:
»Als een hond met den staart tusschen de beenen. Ge hebt
er den schrik onder, meester Arie!
»Zou ik niet?" hernam Arie de Vois; want deze was het,
die het huis van zijnen kunstbroeder, juist ter gelegener ure,
was binnengekomen. »Ze kennen mij, dat volkje. Daar is een