Boekgegevens
Titel: Stofgoud
Serie: Leesboek voor de volksschool, 7
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6022
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201234
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Stofgoud
Vorige scan Volgende scanScanned page
Eindelijk, eindelijk toch komt er uitkomst in hunnen nood. Met
een zachten westenwind valt voorgoed de dooi in en gaat vergezeld
van een malschen, weldadigen regen, die de laatste sneeuwvlaag door-
weekt, ze doet verdwijnen en tot diep in den grond doordringt. Nu
eerst kunnen de knoppen zwellen, de kiemen zich ontwikkelen en de
grashalmen uitspruiten.
En, wanneer daarna de zon doorbreekt en hooger stijgt en hare
levenwekkende stralen vol en warm over de verkwikte akkers uitgiet —
dan stijgt ook de eerste leeuwerik onder een luiden jubelkreet in de
reine, blauwe morgenlucht omhoog, en zijne heldere trillers schijnen
alles voorgoed in het leven te roepen. Is hij eenmaal begonnen te
zingen, dan laat de lieve vogel onverpoosd van 's morgens vroeg tot
's avonds laat zijne heerlijke stem hooren, en het is, of die vroolijke
voorbode van onze andere gevleugelde vrienden in zijne blijdschap
aan de heele wereld wil toeroepen: „Ontwaakt, gij, die slaapt, ziet
toch, hoe schoon alles is, en met welke rijke schatten de lieve lente
is weergekomen!"
En zie: daar leeft het, daar beweegt het zich aan alle kanten, telkens
keeren nieuwe scharen luchtreizigers terug, allerlei slapende wezens
ontwaken bij duizendtallen, overal openen zich knoppen en bloesems,
telkens luider wordt het gejubel, geuriger en helderder de lucht, bonter
en schooner het landschap.
O gij, die waarlijk gevoel hebt voor de schoone Natuur, ga toch
naar buiten, als de lieve zon u zoo warm en mild tegenlacht, als de
velden prijken met het eerste, malsche groen, als de blaadjes in het
bosch uitspruiten en de vruchtboomen met den heerlijksten, witten
bloesemsluier bedekt zijn, als een bont tapijt van bloemen den bodem
bedekt en de zachte, geurige, zuivere lucht uwe borst verruimt en
verkwikt. Wanneer dan het zingen en jubelen alom uw gemoed echt
feestelijk begint té stemmen en uwe blikken zich onwillekeurig naar
boven richten, dan zult ge den leeuwerik, door de zon beschenen,
als een blinkend sterretje zien schitteren, rust en vrede, geluk en
zaligheid scheppende in het menschenhart.
Het trouwe wijtje heeft met verrukking naar de blijde tonen
van haar gaaike geluisterd, en als het mannetje terugkeert.