Boekgegevens
Titel: Stofgoud
Serie: Leesboek voor de volksschool, 7
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6022
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201234
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Stofgoud
Vorige scan Volgende scanScanned page
Bladz.
geene vergiffenis ontvangen. Later hoorde hij, dat de menschen hem
op den avond van den brand in den omtrek en den avond daarna op
de plaats van den brand hadden gezien, en, hoewel niets door het ver-
hoor bevestigd werd, stond het toch bij hem vast, dat Bart de dader
was. Ze ontmoetten elkaar bij het verhoor, Bart in zijne goede kleeren,
Andries in de gelapte. Bart richtte zijne oogen op hem, als bad hij om
vergeving, zoodat Andries eene rilling door de leden ging. Hij smeekt
mij, niet iets te zeggen, wat hem schaden kan, dacht hij, en, toen de
rechter nu vroeg, of hij zijnen broeder tot zulk eene slechte daad in staat
achtte, zeide hij luid en zonder de minste weifeling in zijne stem: „Neen!"
Sedert dien tijd verviel Andries tot steeds diepere ellende. Nog slechter
evenwel ging het met Bart, ofschoon hij geen gebrek leed, als zijn
broeder: men herkende hem nauwelijks meer.
Op zekeren avond kwam er eene arme vrouw bij Bart aan huis en
bad hem, met haar mee te gaan. Hij herkende haar: 't was zijn broers
vrouw. Alles begon hem te draaien. Hij vroeg, of Andries misschien
ziek was. De vrouw begon te schreien. „Ach," snikte ze, „'t is nu
reeds de derde dag, dat hij in eene hevige koorts ligt; maar heden
droomde hij, dat hij nog weer beter zou worden, als hij nog maar
eens met u spreken kon."
Bart kleedde zich en ging met haar. Onderweg werd geen enkel
woord gesproken. Uit het venster van Andries' woning schemerde af en
toe een flauwe lichtstraal: ze liepen daarop aan; want er was geen
pad in de sneeuw gemaakt. Toen Bart in het huis aan het bed zijns
broeders trad, zag deze met holle oogen naar hem op. Barts knieön
knikten: hij nam eenen stoel en ging zitten en barstte in schreien uit.
De zieke zag hem lang en zwijgend aan. Eindelijk vroeg hij zijne
vrouw, hen alleen te laten. Bart echter wenkte, dat ze blijven zou,—
en nu begonnen de beide broeders hun smartelijk verleden op te halen,
van den dag af, waarop ze beiden op het horloge hadden geboden, tot
heden, nu ze elkaar zoo wederzagen. Bij het einde van zijne vertelling
trok Bart den goudklomp te voorschijn, dien hij steeds bij zich te
dragen placht, en zoo werd het den broeder dan duidelijk, hoe ze al
die jaren door elkander hadden liefgehad en zich in zoo lange jaren
geen eenen dag recht gelukkig hadden gevoeld.
I,. LEOPOLD, Leeshoek. Tweede Reeks, VII. 4o druk. B 6