Boekgegevens
Titel: Stofgoud
Serie: Leesboek voor de volksschool, 7
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6022
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201234
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Stofgoud
Vorige scan Volgende scanScanned page
Hij trok weer gauw naar Java heen,
Zij kwam zijn wenschen na.
Of 't hielp? De wetenschap schudt neen;
Maar 't raenschlijk hart zegt ja.
4. — de leeuwerik.
Er is een tijd van het jaar, waarin de laatste stormvlagen van den
barren winter ons herinneren, dat hij nog geen afscheid heeft genomen,
en te gelijk de eerste voorboden van het lieve voorjaar zich beginnen
te vertoonen. Nog ligt hier en daar op de akkers eene dikke sneeuw-
laag; diep onder den grond is nog alles stijf bevroren; bijna iederen
nacht komt er opnieuw eene dunne ijskorst over de ontdooide opper-
vlakte; nu en dan hult een wit sneeuwkleed alles weer in doodsge-
waad — en reeds keeren de eerste trekvogels terug uit het zuiden, zonder
zich door kou of sneeuw te laten afschrikken. Het zijn veldleeuweriken,
die zich door den warmen zonneschijn lieten verleiden, om wat al te
vroeg de winterkwartieren te verlaten. Hunne hartjes kregen zóó het
heimwee, dat zij geen rust of duur meer hadden en heentrokken naar
het lieve vaderland. En nu moeten zij hier voor hunne haast, hunne
voorbarigheid boeten.
Uit nood dicht bij elkaar gekropen, zitten zij daar nu te pikken aan
de bevroren grashalmpjes. Alleen 's middags, wanneer de zon hooger
stijgt, trippelen en fladderen ze ijverig rond, om hun karig voedsel
te zoeken. Maar dan ook dreigen hun allerlei gevaren: de klauwen van
■den havik, dien moordlustigen roover, en de strikken en netten van
den niet minder geduchten vogelaar, 's Nachts zijn ze ten prooi aan
de listigste aller stroopers, de katten, die er op uit zijn, de weerlooze
diertjes in den slaap te verrassen. Daarom houden ze zich nu ook
zoo stil en roepen elkaar enkel met een zacht, weemoedig getjilp toe —
als ware het, om elkander te troosten en moed in te spreken.