Boekgegevens
Titel: Stofgoud
Serie: Leesboek voor de volksschool, 7
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6022
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201234
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Stofgoud
Vorige scan Volgende scanScanned page
Bladz.
Bart week werkelijk eenige stappen terug; met bevende stem vroeg
hij: „Wilt gij het horloge hebben, zeg het dan!"
„Ga, Bart!" schreeuwde de andere, en nu wou Bart niet langer
wachten: hij ging.--
Sinds den verkoopdag had Bart er steeds aan moeten denken, hoe
hij het horloge gekregen had en Andries niet; hij had het hem wel
graag willen geven; maar hij begreep, dat Andries het niet aan zou
nemen. Toen zijn broer nu trouwde en hij niet genoodigd werd, kwam
hij zoo dicht bij het huis, dat hij de bruiloftsmuziek kon hooren; hij
dacht er ook aan, binnen te treden; maar hij kon er niet toe komen.
Dat was de schrikkelijkste nacht, dien hij ooit beleefd had. Later
hoorde hij, dat zijn broer een zoontje had gekregen; maar hij hoorde
het alleen van vreemden. Niet lang daarna vernam hij, dat de eenige
koe van Andries gestorven was, en kort daarop, dat hij al zijn geld in
den paardenhandel had verloren. En hij had bitter verdriet daarvan. Lang
dacht hij na, en toen besloot hij, tot hem te gaan. Hij was reeds op
weg en kwam zoo ver, dat hij het huis zag; daar kwam echter iemand
uit de deur: 't was een vreemde, — later stond Andries zelve weer buiten,
om hout te kappen, genoeg, er was altijd iets in den weg. Maar op
eenen Zondag — 't ging tegen den winter — was hij in de kerk en
Andries ook; Bart zag hem: hij was bleek en mager geworden; hij
droeg dezelfde kleeren, als toen ze nog te zamen woonden; maar ze
waren oud en gelapt. Nu en dan keek hij naar zijnen broeder, en het
scheen hem toe, dat hij er zoo zacht en goedig uitzag: hij dacht aan de
jaren hunner kindsheid en hoe braaf Andries toen was. Bart besloot
nu, zich met zijnen broeder te verzoenen, er mocht komen, wat
er wou. Na de kerk echter kwam er weer iets in den weg — het
gedrang was zoo groot, Andries' vrouw ging naast hem en die kende
hij volstrekt niet: hij dacht daarom, 't zou het beste zijn, naar zijns
broeders huis te gaan en daar met hem te praten. Toen 't avond
werd, deed hij dat. Hij naderde de kamerdeur en luisterde. Daar
hoorde hij zijnen naam noemen, 't Was de vrouw, die zei: „Hij was
heden in de kerk, hij dacht zeker aan u." — „Aan mij? neen, hij
dacht niet aan mij," zeide Andries, „ik ken hem; hij denkt alleen aan
zich zeiven."