Boekgegevens
Titel: Stofgoud
Serie: Leesboek voor de volksschool, 7
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6022
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201234
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Stofgoud
Vorige scan Volgende scanScanned page
Bladz.
te vallen, ze op te zoeken; dat werkje liet ze over aan de koolmees
en andere vlijtige, insectenetende vogels, ofschoon ze menigen twist al
vechtende beslechtte tusschen dezelfde koolplanten, die zoozeer hare
hulp behoefden. Slechts dan verwaardigde ze zich, rupsen en meikevers
te eten, als ze niet te gast kon gaan op lekkere graankorrels en hare
lieve kinderen, waarvan zij ieder jaar vijf nesten vol de wijde wereld
inzendt, onophoudelijk om voedsel schreeuwden. Men zegt, dat honger
rauwe boonen zoet maakt, — waarom zou dan de musch in min gun-
stige tijden zich met geene meikevers en rupsen kunnen vergenoegen? —
Het toe- of afnemen der laatstgenoemde, lastige dieren kon dus niet
meer aan haar worden toegeschreven, en ze bleek opnieuw weinig meer
te zijn, dan eene onverbeterlijke deugniet. — En dien naam zal ze licht
houden. Daar ze insecten en larven het liefst bij uitzondeling eet, moet
ze zich wel met iets anders voeden, vooral wijl ze zich in zoo'n ge-
zonden honger verheugen kan. Daarover weet ieder landman een harte-
lijk woordje mee te praten. En bleef het maar alleen bij eten; doch ze
hakt b.v. met een waren moordlust in eene volgeladen aar, dat de
korrels naar alle zijden vliegen en den bodem bedekken, waar zij ze
met eene soort van verachting laat liggen, om met dezelfde woede op
eene nieuwe aar aan te vallen. Dat moet den landman verdrieten, en
geen wonder, dat hij geen vriend van die gevederde lekkerbek is.
Erwten, die in den tuin en op het veld opschieten, zijn haar lievelings-
kost. Zoodra de eerste blaadjes, zoo rijk aan suiker, naar de sterkende
zonnestralen uitzien, om zich tot schoone planten te ontwikkelen, kost
het eene musschenfamilie bij een beetje goeden wil, volstrekt geene
moeite, een heel erwtenbed, de vreugde van den nijveren landman, in
korten tijd te vernielen. Halfrijp koren is voor haar het heerlijkste, wat
er in de wereld groeit: de zoete korrels zijn haar eene lekkernij, waar-
voor ze alle rupsen ter wereld rustig laat kruipen en smullen. Elk zijn
meug, denkt de musch, sluit vriendschap met alle mogelijke vogelver-
schrikkers en leeft van het vette der aarde, waar zij het maar vinden kan.
't Getal harer vijanden groeit: wie weet, wat men er nog op uit-
vindt, om deze brutale gast gepaste bescheidenheid te leeren
In de stad is er nog doen met haar te hebben; daar baadt ze zich
niet in weelde en toont ze niet den overmoed, die haar elders zoo
L. LEdPOLD, Leesboek. Tweede Reeks. Vil. 4e druk. B 4