Boekgegevens
Titel: Stofgoud
Serie: Leesboek voor de volksschool, 7
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6022
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201234
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Stofgoud
Vorige scan Volgende scanScanned page
Bladz.
Ons volk heeft slechts aan zeer enkele zijner groote mannen dien
vader-naam gegeven. Een enkele nevens den Prins heeft zich dien ver-
worven en zich dien waardig betoond — de groote, edele de ruvtee.
„Mannen, daar komt Bestevaar ons helpen." Die kreet gaf het scheeps-
volk moed in den uitersten nood en bracht het in verrukking, in eene
onweerstaanbare geestdrift, die doet overwinnen of sterven.
Het moet meer, dan een groot, het moet een goed man zijn, die
een volk, als het onze, zulk een kinderlijk vertrouwen, zulk eene kin-
derlijke liefde weet in te boezemen. Wij schenken ons hart niet licht-
vaardig aan den eersten den besten weg. Wie zich de liefde van ons
volk wil verwerven, moet beginnen met het eerst lief te hebben, het
overvloedige liefdediensten te bewijzen. Den naam van Vader van den
Lande, dien de Prins zich verworven heeft, heeft hij voor een leven
van zelfopoffering, voor den martelaarsdood gekocht. Laten wij hem
dan dat duur gekochte eereblijk niet onthouden, hem niet noemen bij
een anderen naam, dan dien het erkentelijke volk hem geschonken
heeft — allerminst bij den scheldnaam van „De Zwijger", door zijne
vijanden voor hem uitgedacht.
22. — het bosch en de houthakker.
Een houthakker trad een woud binnen en keek naar alle kanten
rond, alsof hij met belangstelling naar iets zocht. De boomen, nieuws-
gierig als ze waren, vroegen hem, wat er van zijn begeeren was. Hij
antwoordde: „Al, wat ik noodig heb, is de tak van een goeden, taaien
esch voor eenen steel in mijne bijl."
„Is dat alles?" zeiden de boomen, „dien kunt ge met genoegen
krijgen."
Toen de man evenwel eenen steel naar zijnen zin in de bijl had, hakte
hij er onbarmhartig op los, en de reuzen des wouds vielen onder zijne
geduchte slagen.
Men zegt, dat bij die verwoesting de eik tot den beuk met een
stillen zucht fluisterde: „Broeder, dat is het loon voor onze dwaasheid."