Boekgegevens
Titel: Stofgoud
Serie: Leesboek voor de volksschool, 7
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6022
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201234
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Stofgoud
Vorige scan Volgende scanScanned page
Bladz.
Mijn zonnestraaltje is een meisje, dat op weg naar school iederen
dag mijn venster voorbijkomt, — een kind, dat, zooals kinderen
doen, met mij kennis maakte door eenen glimlach.
Misschien ben ik de eenigste, die haar mooi vindt. Waarom ik haar
mooi vind? Och, ik weet het eigenlijk niet recht; alleen weet ik, dat
hare oogen vol liefde zijn en hare stem vol muziek.
lederen dag legt ze een bosje viooltjes buiten op mijne vensterbank.
Eene kleine gift, niet waar ? Maar voor mij van groote waarde! Want,
nadat mijn zonnestraaltje verdwenen is, sluit ik menigmaal de oogen,
en dan roept de fijne geur der bloemen mij een liefelijk verleden voor
den geest
O bloemen, waarheen brengt gij mij ? Gij fluistert en vertelt van een
dicht en geurig woud, — van eene murmelende beek, — van lispelende
bladeren — van eene bemoste bank, — van lieve vriendenoogen, nu
voor altijd gesloten, — van eene zachte stem, die de dood voor altijd
deed verstommen!...
God neme mijn dierbaar zonnestraaltje in zijne hoede!
Moge zij rozen vinden in rijken overvloed op haar levenspad en —
weinige, weinige doornen!
20. — de koning der dieren.
En in grootte, en in kracht wordt de leeuw door menig ander zoog-
dier overtroffen, en toch heet hij van ouds her de koning der dieren.
Als ruwe kracht en in 't oog vallende lichaamsgrootte voldoende waren
voor eene koninklijke gestalte, de olifant zou dan eene eerste plaats onder
de landdieren innemen. Maar hoe leelijk zijn zijne vormen, hoe plomp
zijne pooten! En hoe edel daarentegen is de lichaamsbouw van den
leeuw! Hoe schoon geëvenredigd zijn zijne leden, hoe prachtig is de
reusachtige kop, prijkende met de lange, golvende manen! Waar vindt
men waardigheid en kracht zoo schoon vereenigd, als in den kop des
leeuws ? Dat breede voorhoofd, die vaste, rustig blikkende oogen: alles
dwingt eerbied af en ontzag.
Luister, hoe Hildebrand or,s den leeuw teekent: