Boekgegevens
Titel: Stofgoud
Serie: Leesboek voor de volksschool, 7
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6022
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201234
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Stofgoud
Vorige scan Volgende scanScanned page
Bladz.
l8. — het houtvlot.
^Vie op éénen dag, en te paard, van Leiden naar Tiel reist, mag,
dunkt mij, wel eens terdege uitrusten, vooral, wanneer hij op jaren
komt. Dit was dan ook mijn voornemen, toen ik mij gisteravond
ter rust begaf.
En ik sliep, gelijk iemand sla])en moet, die op éénen dag te paard
van Leiden naar liel gereisd is en nog verder denkt te reizen. Doch
ik had niet langer, dan tot vijf uren, geslapen, toen ik eensklaps dour
eene menigte stemmen en herhaald roepen in mijnen slaap gestoord
werd. „Ze kunnen er te zeven uren reeds zijn." — „Het zal wel
acht uur worden." — „Ze moeten nu te Druten zijn." — „Wat praat
ge van Drutenl ze zijn al te Leeuwen gezien."
„Eilieve," zei ik in mij zeiven en rolde mij geeuwend en verdrietig
in mijn bed rond: „wat kan het mij schelen, of ze hier te zeven uren
of te halfacht doorkomen, of ze hen te Leeuwen of te Druten zagen:
ik, voor mij, begeer ze niet te zien."
„Een houtvlot. Mijnheer!' riep daar eene stem, „een houtvlot!
komt gij niet eens kijken?"
„Een houtvlot!" riep ik vroolijk en verwonderd uit. „Ja, daar sta ik
voor op. Dat moet ik zien! Houtvlotten ziet men nergens, dan aan
eene rivier, als deze."
Vrienden, zaagt gij ooit een houtvlot? Hemel, welk een gevaarte!
Terwijl het met het bloote oog nog nauwelijks te onderscheiden is,
zie ik het langzaam naderen, en, hoe nader het komt, hoe meer zijne
snelheid schijnt te vermeerderen; — nu komt het alweer nader —
en nu nader weer: ik zie niet meer één grooten klomp, gelijk te
voren, ik begin voorwerpen te onderscheiden, ik zie een ontzaglijk
vlak op de kabbelende rivier komen aandrijven, afzakken; ik zie het
van verscheidene vaartuigen omringd; ik zie beweging, gewoel; ik word
menschen gewaar, menschen bij honderden! en beesten in menigte! —
Nu nog dien hoek om! dan weer die punt; ginds die krib! daar die
plaat! Welk eene zorg, welk eene moeite! —
Thans onderscheid ik alles: — ik zie en tel de gebouwen, die het