Boekgegevens
Titel: Stofgoud
Serie: Leesboek voor de volksschool, 7
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6022
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201234
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Stofgoud
Vorige scan Volgende scanScanned page
Bladz.
Terwijl deze gedachte mij bezighoudt, hamert onze smid er zoo frisch
op los, dat het zweet langs zijn rood gelaat loopt! Doch hoort,
daar klinken acht slagen van onzen kerktoren door het huilen van
den wind. Nu opent zich achter in de smederij eene deur, en naar
binnen treedt een aardig, vlug meisje en huppelt over kettingen en
bouten en staven naar den vlijtigen werkman. Geen grooter verschil,
dan tusschen al die zware, logge voorwerpen en de lichte, ranke leest
en tred van het meisje, dat om de dertien of veertien jaren oud
schijnt, — geen grooter verschil, dan tusschen die zwarte, smokerige
mviren en schoorsteen en dat lieve, bloeiende aangezichtje met de leven-
dige oogen, waaruit vreugde en levenslust schitteren!
„Grootvader!" roept zij, terwijl ze den smid bij de armen trekt,
„Grootvader, het is acht uur!" En meteen den grijsaard in het aan-
gezicht ziende, vervolgt ze op meelijdenden toon: „O hé, wat zweet ge,
Grootvader! Ge hebt van avond veel te zwaar gewerkt en vast weer ploeg-
ijzers gemaakt, die akelige dingen, die u altijd zooveel moeite kosten!"
De aangesprokene keert zich om en ziet haar recht vriendelijk aan.
Ach, dit meisje is immers het eenige wezen, dat hem van eene geliefde
vrouw, van zijne kinderen en kleinkinderen op aarde is overgebleven. Een-
zaam en verlaten bleef hij achter, eenzaam en verlaten gevoelde hij zich
op de wereld, toen de groeve zich boven het overschot van het laatste
zijner kinderen sloot. Maar toen dacht hij aan zijn kleinkind, de lieve,
jonge Anna, en aan dit kind hechtte zich zijn hart met heel de liefde,
die het al zijne dierbare afgestorvenen had toegedragen. Voor haar
slechts leeft hij, voor haar alleen werkt hij, om haar is het, dat hij
met welgevallen ieder zuur verdienden gulden weglegt bij den kleinen
schat, door noeste vlijt en zuinigheid uit de sobere spaarpenningen ge-
groeid. Haar geluk, dat is het eenige doel, waarnaar hij nog op aarde
streeft en waarvoor hij den Oneindige om nog eenige jaren levens smeekt.
Lachend antwoordt de oude de kleine spreekster: „Ei, Anna, wat wil
zoo'n beetje zweet zeggen? Ik ben immers gezond en frisch en heb
nog lust in mijn werk. De tang is mij nog niet ontvallen, en de hamer
ook niet, kind! Het luie zweet moet er maar uit, zooals mijn oude
baas placht te zeggen."
„Ja, maar7 Grootvader," herneemt de kleine, „ge moet nu toch vol-