Boekgegevens
Titel: Stofgoud
Serie: Leesboek voor de volksschool, 7
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6022
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201234
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Stofgoud
Vorige scan Volgende scanScanned page
Bladz.
moet worden, wanneer de huisvrouw en de meid wedijveren in klachten
en uitroepen over den smerigen boel, dien de zwarte smid heeft gemaakt.
Maar op Ons dorp is de smid een achtbaar en belangrijk persoon,
zonder wiens dagelijksche hulp niemand iets kan uitrichten. Hoe kreeg
men anders spaden en ploegijzers gemaakt en geslepen? Buitendien zet
eene smederij vrij wat aanzien aan een dorp bij. Het klinkend aan-
beeld geeft eene zekere bedrijvigheid en vroolijkheid aan de plaats,
daarin slechts overtroffen door het tikken en kloppen van eene scheeps-
timmerwerf of het suizen en stampen van eenen oliemolen, wat ons in
het voorbijvaren of rijden onwillekeurig doet denken, dat we door een
welvarend dorp gaan.
Belangrijk is een smid op Ons dorp voor alles, zelfs voor de jongens
en meisjes, die nimmer verzuimen in het voorbijgaan op de kettingen van
den noodstal zich voor het gemis van eenen schommel schadeloos te
stellen, terwijl de smederij des avonds vooral de vergaderplaats is van
alle leegloopers, die, over de onderdeur geleund, stilzwijgend in de
vlammen op de smidse staren.
Of het nu 't gevoel van het gewicht zijner betrekking of wel iets
anders is, dat eene bijzondere deftigheid en achtbaarheid aan den smid
in 't algemeen en aan den onzen in het bijzonder geeft, durf ik niet
beslissen; maar zeker is het, dat de smeden — vooral in en bij hun
werk — zwijgend en ernstig zijn, achtbaar en deftig, meer dan eenig
ander handwerksman. — Een verver is een lustige knaap en fluit vroo-
lijke liedjes, mogelijk wel opgewekt door de frissche terpentijn- en
olielucht in de kamer, die van hem de meeste schoonheid ontvangen
moet. — Op hem volgt de timmerman, die met den hamer de maat
slaat bij zijn gezang of bij iedere verheffende passage een stevigen zet
met zijne lange schaaf doet. — Achtbaarder, zwijgender is reeds de
metselaar, die bij zijn werk fluit noch zingt, maar, geholpen door eene
vervaarlijke pruim tabak in de bolle wang, zoo wat voor zich heen bromt,
dat evenveel op het geluid van een of ander dier, als op het zingen van eenen
mensch gelijkt. — Kleermakers en schoenmakers, wanneer ze namelijk
niet alleen zitten, zijn uit hunnen aard rechte babbelaars. Maar de smid
fluit niet, zingt niet, bromt niet bij zijn werk, dat hem geheel schijnt
bezig te houden. En zelfs geen woord, maar alleen een enkele, klinkende