Boekgegevens
Titel: Stofgoud
Serie: Leesboek voor de volksschool, 7
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6022
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201234
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Stofgoud
Vorige scan Volgende scanScanned page
Bladz.
insecten, daarna steken ze onbeschroomd hunne trompen er in, om
hunnen dorst te lesschen, zuigen het troebele nat, dat onder hunne
slurven wegzinkt, op, en gieten het in hunne verdroogde kelen. Snel
vlietende rivieren en kabbelende beken met beschaduwde oevers, waar
de overhangende boomen zich in de doorzichtige watervlakte spiegelen,
beminnen ze bovenal; begeerig zakken ze in het verfrisschende water,
om hunne verhitte flanken te koelen; .... op eens stuit de af vlietende
stroom tegen hunne breede zijden, als tegen eenen dijk, en vliegt brui-
send over hen heen, terwijl ze het schuimende nat, als eene hoos,
optrekken en spelende op hunne onbedreven kinderen spuiten; dan
gaan ze weder op het droge, wandelen langs den begraasden oever
en verzadigen zich met de wilde vruchten of de toppen der jonge
boomen, totdat de schemering den naderenden dag verkondt en zij
weder in de diepte des wouds terugkeeren ....
Gelukkige schepsels! . . . zoo zij maar de strikken ontwijken konden,
die voor hen gespannen worden! Noch de reusachtige omvang van hun
lichaam, noch hunne vlugheid van begrip, noch hunne verbazende kracht
kan hen tegen de listen der menschen beschermen, die hun het ondraaglijke
juk eener levenslange dienstbaarheid weten op te leggen, hen leeren
gehoorzamen, slaafs knielen en de dreigende spits van den kornak
vreezen, die hun machtig hart vernedert.
Vaak wordt tot eene algemeene jacht op hen besloten, en duizenden
omsingelen het uitgestrekte woud. — Eensklaps door het schelle geluid
van instrumenten, het wilde geschreeuw, het kletteren der vuurroeren
en het flikkeren der brandende toortsen van achteren omgeven, worden
ze, verschrikt door het ongewone en woeste rumoer, in de allengs zich
vernauwende omheining gedreven.
De morgen breekt aan, en de reuzen zijn van alle zijden ingesloten :
ze stormen in machtelooze woede tegen de muurvaste omheiningen;
alles vergeefs.
Een half jaar verloopt, en ze gehoorzamen iederen wenk, ieder
gebaar en woord huns meesters. Trouw verrichten zij het hun opge-
legde werk.
Voert men hen in den strijd, met onweerstaanbare kracht storten ze
zich te midden der vijanden, honderden jagen zij voor zich uit of ver-