Boekgegevens
Titel: Stofgoud
Serie: Leesboek voor de volksschool, 7
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6022
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201234
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Stofgoud
Vorige scan Volgende scanScanned page
Bladz.
ii. — olifanten op ceylon.
Daar wandelen ze onder bet groene gewelf der bosschen, terwijl hunne
talrijke kinderen om hen heen dartelen en al spelende de jonge tak-
ken der boomen knakken, totdat zij er eenen vinden, met maische,
geurige bladeren bedekt, — daar staan ze stil te kijken, met hunne
lange trompen tusschen de dicht bewassen takken, en plukken de jonge
telgen voor hun voedsel, en het krakende geruisch loopt in den ganschen
kring voort; — of, als ze zich in de zon willen bakeren, zakken ze
neder op een' der kleine grazige heuvels, die hier en daar in het
midden der wouden zich bevinden: daar ligt dan de ontzaglijke
kudde en sluimert, totdat met de ondergaande zon de schaduwen van
den nacht nederdalen en de duisternis zich over het woud uitbreidt.
Dan rijzen ze op van hunne ingedrukte legerstede, staan eene poos stil
en snuiven den verkwikkelijken geur der avondlucht in, en nu breken
ze op naar de naburige beek of rivier. — Voor hen uit draaft de
geleider, de verdediger en beschermer van het geheele gezelschap, door
hen zelve tot dezen post verheven, dewijl hij machtiger is en grootere
slagtanden heeft, dan zij alle, hen alle in jaren en grootte overtreft.
De gansche troep volgt in dichte, geslotene gelederen, met de jongen
in het midden: stammen van middelbare dikte rennen ze omver;
hooge en dichte struiken vertrappen ze. Alles buigt en breekt onder
deze reusachtige gevaarten; het gekraak der nederstortende boomen,
nu en dan vermengd met hun krijschend schreeuwen, weergalmt in
de wildernis; de reiziger hoort het des nachts uit de verte naderen
en beeft te midden der hem omringende vuren. Gelijk een vernie-
lende orkaan, die, met ijselijk gehuil in een dicht palmbosch drin-
gende, op zijnen doortocht de gladde stammen in rijen na elkander
ternedervelt en de sporen zijns vreeselijken wegs achterlaat ....
dus maken ook zij, onafgebroken voortrennende, eene lange scheuring
in het woud, eene verwilderde baan, met omgestorte boomen en
vertrapt kreupelhout bedekt. —
Hebben ze een stilstaanden poel bereikt, eenen plas, door den regen
gevormd, dan onderzoeken ze eerst het water, uit vrees voor schadelijke