Boekgegevens
Titel: Stofgoud
Serie: Leesboek voor de volksschool, 7
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6022
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201234
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Stofgoud
Vorige scan Volgende scanScanned page
Bladz.
,,Van den tijger, Heer!"
„Hoe is dat geschied? Vertel mij dat eens."
„'t Was een slechte tijger. Heer."
„Zijn er dan ook goede?"
„Gewoonlijk is de tijger goed; maar dit was een slechte, Heer!
Twee dagen te voren had hij mijnen broeder verslonden."
„En toen zijt gij op de jacht gegaan, om uwen broeder te
wreken?"
„Neen, Heer, de dessa-bewoners hebben geene vuurwapens, zij mogen
er geene hebben, en ik ben ook een bang mensch, Heer! Ik vroeg den
loerah (dessa-hoofd), eene val te mogen plaatsen, maar had nog
geene vergunning gekregen.
„Toen ik nu in het gebergte — nog geenen paal vanhier — alang-
alang (gras) gesneden en reeds twee boengkoes (bundels) bijéén-
had, was het avond geworden.
„Ik ben een bang mensch. Heer! een dessa-bewoner is bang.
„En daarom haastte ik mij, den pikolan (draagstok) te gaan halen,
dien ik had neergelegd bij eenen boom op den rand van het dicht
begroeide bosch.
„En ik vreesde de duisternis zeer.
„Toen ik nu bij den boom kwam, sprong een koningstijger uit de
alang-alang en sleurde mij met zich. En de tijger brulde geweldig, en
dat maakte mij nog banger, omdat ik dacht aan mijnen broeder.
„Misschien was het dezelfde tijger, die mijnen broeder had verslonden;
want ook deze was een slechte tijger. Toen mijn eene arm nu vrij was
en bij iederen sprong van den tijger den grond raakte, kon ik de kris
trekken, en toen stak ik de kris in het hart van den tijger. — En
toen sprong de tijger niet verder.
„En toen ik teruggaande mijne boengkoes wilde opnemen, had ik
daartoe geene kracht, zeker omdat ik zoo bang was. — En het bloed
vloot met groote stroomen uit mijne wonden.
„Voor de huid des tijgers ontving ik vele guldens van den heer
resident, en gaf daarvoor een tsedekah (leest). En mijne kris is nu
heilig, en mijn zoon zal haar eenmaal erven."
Wij gaven den bangen Javaan, die beefde voor het leven zijner