Boekgegevens
Titel: Stofgoud
Serie: Leesboek voor de volksschool, 7
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6022
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201234
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Stofgoud
Vorige scan Volgende scanScanned page
Bladz.
„Wat is er, wat wilt gij?"
„Ampoii, toewan!"
„Waarvoor ampon?"
„Kaloe soeka, djangan passang" (schiet niet, als ik 't u
bidden mag.)
„En waarom zou ik niet schieten?"
„Djangan, toewan" (doe 't niet. Heer!)
De blanke wordt ongeduldig en legt weer aan.
„Kaloe passang, toewan, nanti kenal tjelaka" (als Mijn-
heer schiet, zal hem een ongeluk overkomen).
Andermaal laat de Europeaan de tromp zakken en ziet den Javaan
voor het eerst in het gelaat. Daarop ligt zooveel vrees, zooveel
deernis, zooveel ontzetting, dat de blanke den haan in de rust zet.
Hij herinnert zich de menigmaal gehoorde verhalen van het bijge-
loof der Javanen, bijv.: die op een graf eene duif schiet, hem zal
een ongeluk treffen: — óf zijn geweer zal springen en hem dooden,
óf hij sterft spoedig.
„Waarom schiet ge niet, Robert?" roept hem zijn makker toe.
„Och, die kerel is dwaas; laat ons verder gaan."
„Toewan mau makankalapa" (wil Mijnheer ook eene kokos-
noot nuttigen)? vraagt de Javaan vriendelijk, terwijl hij den blanke
naloopt.
„Kom, ja, laten we hier wat rusten." En, terwijl beiden op de bali-
bali plaats nemen, is de overgelukkige Javaan reeds in zijn pohon
kalapa geklommen en werpt twee, drie noten omlaag. Weer beneden
gekomen, ontdoet hij de vrucht behendig van den dikken, vezeligen
bast, kapt er een gat in en biedt de noot eerbiedig aan. De jagers
drinken om beurten van het smakelijke, koele vocht en geven den
kalapa terug, om dien geheel te laten openen en het geleiachtige
vleesch te kunnen eten. De moeder heeft onderwijl een harer dikbuikige
kinderen, die langzamerhand uit hunne schuilhoeken weer voor den
dag zijn gekomen, met een tali api (vuurtouw) gewapend, en dringt
den schuwen jongen naar de toewans, die den sigarenkoker reeds in
de handen hebben.
„Hoe komt gij aan die zware litteekens op uw lijf, vriend?"