Boekgegevens
Titel: Stofgoud
Serie: Leesboek voor de volksschool, 7
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6022
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201234
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Stofgoud
Vorige scan Volgende scanScanned page
Bladz.
voegen velen er in éénen adem bij — „aardappelen, rapen" enz.; maar
deze noemt men dan aardvruchten.
Ge begrijpt echter zelve wel, dat ge, zoodoende, de zaak van eene
verkeerde zijde beschouwt.
Om daarvan zekerheid te bekomen, behoeven we maar eens even
bedaard te redeneeren.
De vrucht is een deel van de plant, evenals uw arm een deel van
uw lichaam is.
Vroeg men nu: „Wat is een arm?" dan zoudt ge die vraag trachten
te beantwoorden, door zoo kort en zoo duidelijk mogelijk te zeggen,
welke beteekenis uw arm heeft voor uw lichaam, en dan zoudt ge op
den goeden weg zijn, om een juist antwoord te geven.
Zoo ook hier. Daar de vrucht een lichaamsdeel van de plant is,
moet men, om te weten te komen, wat men eigenlijk door eene
vrucht te verstaan heeft, of wat als vrucht te beschouwen is, niet
beginnen met de vraag te beantwoorden: „Wat is de vrucht voor ons,
menschen?" maar: „Wat is ze voor het lichaam, waarvan zij een deel
uitmaakt; wat is ze dus voor de plant?"
En dan ligt het antwoord voor de hand: de vrucht is dat deel
der plant, waarin de zaden (één of meer in getal) besloten zijn en
besloten blijven, totdat ze geheel rijp zijn.
En nu weten we ook, dat de vrucht hetzelfde plantendeel is, 'twelk
we in de bloemen, als het vruchtbeginsel, veelal in (somtijds ook
onder) de bloem kunnen waarnemen.
Als we de zaak zoo beschouwen, verkrijgen we reeds terstond van
het woordje „vrucht" een geheel ander denkbeeld: dan begrijpen we
al dadelijk, dat we veel als vrucht moeten beschouwen, wat we
anders nooit met dien naam zouden bestempeld hebben, eenvoudig,
omdat we gewoon waren, ons zelve bij die beschouwing op den
voorgrond te stellen, en we, juist omgekeerd, ons zelve er niet bij
in aanmerking mogen nemen.
Zoodra eene bloem uitgebloeid heeft, de bloembladeren afgevallen of
verwelkt, de meeldraadjes verdwenen zijn, begint het vruchtbeginsel
zich uit te zetten. Dan reeds, van dat oogenblik af, moet men dat
deel, als de jonge vrucht, beschouwen.
L. LEOPOLD, Leeshoek. Tweede üeeks. VII. 4e druk. B 2