Boekgegevens
Titel: Nieuw Engelsch lees-, leer- en vertaalboek voor eerstbeginnenden
Auteur: Lagerwey, J.; Ludolph, L.J.C.
Uitgave: Gorinchem: J. Noorduyn en zoon, 1863
5e, verb. dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5818
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201183
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Engelse taalkunde
Trefwoord: Engels, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw Engelsch lees-, leer- en vertaalboek voor eerstbeginnenden
Vorige scan Volgende scanScanned page
207 bl. 23—27.
copper, koper, "kettle, ketel, brass, geel koper, al'most, bijna, sauce^^
pans, sauspannen, locks, sloten, candle-stick, kandelaar, green, groen.
rusty, roestig, called, genoemd, verdigris {^x, ver'digries), spaansch groen
of kopergroen.
Les 3.
I'ron (pr. yurn), ijzer. I do not know, ik weet niet. it makes us, het
schenkt ons, wij maken daarvan, tongspoker, jjook. shov'el, schop.
plough'share, kouter of ploegijzer, melt, smelten, try, beproef, red'hoi,
gloeijend. soft, week. beiid, buigen, smith's shop, smidswinkel, sme-
derij. is he doing, doet hij. fo'rge, smidse, blo'ws blaast, pair of
bell'ows, blaasbalg, puts, legt. anvil, aanbeeld, béats, klopt, hammer,
hamer, he works, werkt hij. sparks, vonken, blacksmith, smid. nails,
spijker, horseshoes, hoefijzers.
Les 4.
Steel, staal, knives, (meerv. van knife), messen, sciss'ors, scharen.
lead, lood. piece, stuk. lift, til, ligt op. ca'se ment, venster, spout,
dakgoot, cis'tern, regenbak, buil'ets, kogels, throw, werp. runs down,
vloeit neder, among', onder, tusschen. ashes, asch. belo'w, onder, gra'te,
rooster, of now, nu. too, ook. dripping-pan, braadpan, reflect'or,
reflectcur. cov'ered, overdekt, runs about, rondloopt, catch, vatten,
grijpen, piek up ^ oprapen, whather'glass, weerglas, dug (v. d. van to
dig), gedolven.
Les 5.
Harry, Hendrik, clev'er, knap. loved his book, leerde gaarne, got to
he first, werd de eerste, got up, sioné. Q\i, early, vroeg, called, riep. cake,
koek. made (o. v. t. van to make), bakte, nice, lekker, kostelijk, stuped
full, vol met. plums, pruimen , rozijnen, sweetmêats, ingelegde vruchten.
or'ange, snippers, cit'ron, citroen, i'ced all over with su'gar, geheel met
suiker bestrooid, smooth , glad. on the top , van boven, jumped about,
sprong op. hardly, naauwelijks. staid for, wachtte op. to cut, om te
snijden, gnawed, knabbelde af. belt, klok, schel, rang (o. v. t. van to
ring), luidde, klonk, ate (o, v. t. van to éat, eten), at. again, weder.
nay, ja ... . zelfs, laid, leide. pill'ow, hoofdkussen, some, iets. gon'e,
op. sick, ziek. wonder, wilde gaarne weten, what is the matter with,
wat.... scheelt, used , was gewoon, brisk , levendig , vrolijk, nimbly,
snel, vlug. an'y, een. pale, bleek, some body, iemand, rich, kostelijk.
éaten up, opgegeten, rhubarb (pr. roe'barb), rabarber, physic (pr.
fiz'zik), geneesmiddelen, medicijnen, did not like it at all, hield er in het
geheel niet van. got well again, herstelde weder.
Les 6.
Schoolfellow, medescholier, ca'reful, zorgvuldig, written (v. d. vao to
write), geschreven, blot, vlak. with himself, bij zich zeiven. silly,