Boekgegevens
Titel: Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Auteur: Laan, R.C.; Pelt, D. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5871
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201170
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Vorige scan Volgende scanScanned page
83
l. ïrui, ga gij eens op de bank staan. Geef gij eens eene
doorloopende som op. Kinderen, houdt u gereed, „Meester, in
een pakhuis lagen 100 kisten suiker. Er worden 64 kisten
uitgehaald. Hoeveel blijven er over?" — (Na behandeling op
lei en bord ga men verder).
„Meester, den volgenden dag komen er weer 215 kisten
suiker bij. Hoeveel lagen er toen?" enz.
„Meester, dan gaan er weer 196 kisten uit. Hoeveel kisten
blijven dan over?
m. Gij Dorus, geef gij eens eene doorloopende som op van
een boekliandelaar, die prenten heeft. Kinderen, schrijf boven
de nieuwe som het woord prenten. — Dorus begint: „Meester,
een boekhandelaar had liggen 360 mooie prenten. Hij verkoopt
aan de schooljongens 92 prenten. Hoeveel houdt hij er over?" enz.
„Meester, aan een winkelier verkoopt hij er 120. Hoeveel
prenten houdt hij over?" enz.
„Meester, de volgende week verkoopt hij er aan een meester
ook 120, Hoeveel houdt hij over?"
„Meester, toen ontving hij er weer 480 prenten bij. Hoe-
veel heeft hij er nu?"
n. Kinderen, nu zal ik weer eens som opgeven. Die som
moet uit twee rijtjes bestaan. Schrijft er boven: knikkers Jan;
knikkers Adriaan; — Die twee jongens gaan spelen. Jan heeft
50 knikkers en Adriaan 90. Zij gaan spelen. Jan wint er 20.
Hoeveel knikkers heeft elk nu? — Kinderen, als Jan er
wint 20, wint Adriaan dan ook? Neen immers: hij verliest
er 20. Bij het eerste rijtje dus optellen, bij het tweede rijtje
aftellen. Willem, kom gij die som eens uitrekenen op bord.
Vervolgens gaan ze weer spelen. Jan verliest er 22, Hoeveel
knikkers heeft elke knaap nu ? (Weer uitrekenen op bord en lei.
De leerlingen houden op de lei dus twee rijen. Zoo leeren ze goed
begrijpen, dat aftrekken juist het tegenovergestelde is van optellen).
Nu verder. Ze gaan weer spelen. Jan wint er 30, Hoeveel
heeft elk nu? enz.