Boekgegevens
Titel: Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Auteur: Laan, R.C.; Pelt, D. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5871
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201170
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Vorige scan Volgende scanScanned page
74,
§ 3.
a. Eekenen op de lei, kinderen! Een boer had 120 schapen.
Van die schapen verkoopt hij er 30. Hoeveel houdt hij er
over? — Herman, als de kinderen die som gemaakt hebben,
moet gij die op bord uitleggen en maken. Herman zegt, nadat
hij onder 120 die 30 geschreven heeft met eene streep er
onder: „Eerst gaan er 20 af; 100 over. Dan gaan er nog 10
af, dus 90 sch. over." — (Herman schrijft onder de streep:
90 sch.). Goed, jongen. (Dus niet dat eentonige: „O van de O
is 0; 3 van de 2 kan niet, dan ga ik leenen bij die 1, enz.").
d. Op een dijk liepen koeien en paarden, samen 90. Er
zijn 24 paarden bij. Hoeveel koeien zijn er? — Uitrekenen
op de lei, jongens! Marie, gij bij het bord. Marie zegt: „eerst
20 er af, 70 over; dan nog 4 er af^ 66 over." (Onder de
streep zet Marie: 66 k.).
c. Iemand had zes dubbeltjes. Hij koopt een boek van een
kwartje. Hoeveel cent houdt hij over?
d. In eene school zaten 72 kinderen. 60 gaan naar huis toe.
Hoeveel kinderen moeten nablijven? — Keetje, gij bij het
telraam! Eeken uit. (Goed: 60 en 10 is 70, en 2 is 72; 10
en 2 is 12, dus: 12 kinderen over.)
e. In eene school waren 105 kinderen. 12 kinderen moeten
nablijven. Hoeveel kinderen gaan de school uit?
ƒ. Eene vrouw had op' zak 11 stuivers. Ze koopt voor 50 cent
linnen. Hoeveel centen houdt ze over? (Eerst op de lei, dan
op het telraam.)
ff. Een winkelier ontving op Maandag 20, op Dinsdag 15,
op Woensdag 42, op Donderdag 25, op Vrijdag 40, op Zaterdag
60 gulden. Hoeveel gulden ontving hij in die week? Uitrekenen
op de lei, kinderen! (Eerst de tienvouden optellen. Onderaan
beginnen, omdat daar het meeste is. 60 en 40 is 100; 120,
160, 170, 190; verder 195, 200, 202. Dus 202 guld.). — Nu
verder. De winkelier betaalt 190 gulden. Hoeveel houdt hij