Boekgegevens
Titel: Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Auteur: Laan, R.C.; Pelt, D. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5871
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201170
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Vorige scan Volgende scanScanned page
61
/. Allerlei vraagstukjes in den trant van die in d en e.
g. Allerlei kleine optellingen.
Or.
Niet te driftig bij de toepassing dezer methode. Tal van
vraagstukjes, een voor een gedicteerd, in den trant van de
vorige paragraphen D, E en F, moet men behandeld hebben,
eer men verder ga.
Ter afwisseling laten we de kinderen ook weer eens wat
teekenen bij het rekenen. Op deze wijze:
a. Kinders, een kant van de lei schoon. Teekent een groot
vierkant. Dat is een pleintje. Teekent in eiken hoek een jongen.
De eerste jongen heet Jan, de tweede Piet, de derde Dirk,
de vierde Thomas. Kinders, elke jongen had 10 knikkers.
Teeken die. Hoeveel hebben zij samen? Bereken dat op uwe
lei. (Eene optelsom rechts; er komt uit 40 kn.).
Kinders, ze gaan spelen. Jan en Piet verliezen er elk 2,
en Dirk verliest er 3. Verander het op uwe lei. Trui, vertel
mij eens van eiken knaap, hoeveel hij wint of verliest. Allerlei
vragen doe de onderwijzer onder het teekenen door. Gij,
Maarten, hoeveel heeft Thomas er meer dan elk der andere
knapen? Hoeveel hebben de eerste 3 jongens te zamen ver-
loren? Hoeveel knikkers hebben de vier jongens te zamen.
(Een klein optelsommetje rechts). — Kinderen, ze spelen weer.
Jan wint bij het tweede spel 8 knikkers. Piet wint er 6 en
Dirk wint er 1. — Hoeveel knikkers heeft elk nu? Hoeveel
knikkers had elk bij het begin? Hoeveel knikkers heeft elk
dus verloren? Reken uit rechts, hoeveel knikkers ze te zamen
hebben, enz., enz. Afwisselende vragen na elke verandering.
b. Teekent 4 ladders (leeren), elk met 8 sporten. Piet,
hoeveel sporten ziet ge? Doe het zoo. Piet:
„aan 1 leer 8 sporten,
aan 2 leeren 16 sporten.