Boekgegevens
Titel: Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Auteur: Laan, R.C.; Pelt, D. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5871
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201170
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Vorige scan Volgende scanScanned page
56
3. Zeventig knikkers had Jan. Hij wint er bij, eerst 12, en
toen nog 15. Hoeveel heeft hij er nu?
i. In een molen lagen 32 zakken graan. Gisteren haalde de
baas er 18 en vau morgen 15 bij. Hoeveel zakken liggen er
nu? (De redeneering zij aldus: „30 en 10 en 10 is 50; 52;
60; 65 zakken.
M. Een pond stijfsel 16 cent. Eekent uit, hoeveel drie pond
stijfsel kosten. Netjes de getallen onder elkander. Koos, reken
gij het op het telraam uit, als de jongens de som op de lei
af hebben (Koos moet op het telraam zes rijen gebruiken 10, 6,
10, 6, 10, 6. Hij telt dan bij elkander 10, 10 en 10 is 30;
36, 48, 48. 48 centen dus,
V. Hoeveel kosten 5 pond stijfsel?
w. In mijne beurs heb ik 6 dubbeltjes, een kwartje en 8 centen.
Hoeveel geld is dat te samen?
X. Ook enkele opgaven in dezen trant met onbenoemde ge-
tallen. Bij het behandalen dier vraagstukjes geven de leerlingen
voorbeelden uit het dagelijksch leven.
20 H- 20 = 60 + 30 20 + 12 1 |40 + 18
50 -+- 20 zzi 10 + 70 = 60 + 12 80 + 15
40 -1- 40 = 20 + 60 70 + 15 = 90 + 6 =
19 2 = 88 + 7 32 + 13 42 + 11
69 + 1 = 68+4 — 52 + 13 — 76 + 15 —
54 -f- 8 = 47+5 = 78 + 12 = 64 + 16
(Bij het behandelen zegge de onderwijzer: „Piet, maak gij
van de eerste rij eene som." Piet zegt: „Hoeveel pooten hebben
20 kippen," Gijs, gij eene andere. Gijs zegt: „In den molen
lagen 20 zakken. De molenaar haalt er 20 bij. Hoeveel zakken
liggen er nu?" — Trui, hoe rekent gij die eerste uit? Juist,
20 en 10 is 30, en dan nog 10, is 40.
ly. Zie ook deze optelsommen.