Boekgegevens
Titel: Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Auteur: Laan, R.C.; Pelt, D. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5871
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201170
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Vorige scan Volgende scanScanned page
54
d. Een pond zout kost 8 cent. Jongens, rekent uit, wat
6 pond kosten. Optellen!
e. Eene el band kost 10 cent. Eeken uit, hoeveel Dora be-
talen moet voor 6 el.
ƒ. Eene lei kost 7 cent. Eeken uit, hoeveel de winkelier
voor 8 leien ontvangt. Optellen.
g. In de la van de toonbank lagen 75 centen. De winkelier
ontving er bij, eerst 8 en toen nog 7. Hoeveel centen waren
er toen in die la?
h. Een verkooper had 46 schapen. Hij koopt er bij op de
Zwolsche markt, eerst 8, toen 7, toen nog 6. — Hoeveel
heeft hij er nu?
i. In mijne beurs heb ik een hal ven gulden, een dubbeltje
en 8 centen. Hoeveel geld heb ik bij mij? Het antwoord in
centen. De getallen netjes onder elkander. Nu niet het oude
stelsel, dat leert eerst de eenheden op te tellen, — o neen,
kortweg: 50 en 10 is 60, 60 en 8 is 68. (Enkele leien worden
nagezien. Bertus, moet er geene letter bij het antwoord staan?).
Koos, maak gij die som op bord.
j. Vader had in zijn portemonnaie 1 kwartje, 2 dubbeltjes
en 3 enkele centen. Hoeveel geld is dat te zamen? Het ant-
woord in centen. — (De oplossing zoo: — eerst kijken we
vooraan, 20 en 20 is 40, en 5 is 45 en 3 is 48 centen).
k. Een boer had 82 schapen. Hij koopt er bij 20. Hoeveel
heeft hij er nu? (De oplossing zoo: 30 en 20 is 50, en 2 is 52).
l. Koos had 56 knikkers. Hij gaat spelen achter de kerk en
wint er 24 bij. Hoeveel heeft hij er nu? De getallen netjes
onder elkander. Eerst rekening houden met de hoogste waarden.
(Oplossing: 50 en 20 is 70, en 6 is 76, en 4 is 80). — 't Is
zeer aan te bevelen, soortgelijke vraagstukken op het telraam
te behandelen, als de leerlingen op de lei klaar zijn. Piet, zet
op het tebaam 56 knikkers. Nu op de volgende rijen 24
knikkers. Goed. Tel nu eerst de volle rijen bij elkander. Juist:
50 en 20 is 70. Nu 6 er bij? 76. Nog 4 er bij? 80 knikkers.