Boekgegevens
Titel: Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Auteur: Laan, R.C.; Pelt, D. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5871
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201170
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Vorige scan Volgende scanScanned page
53
bij u zeiven: „50, en daar 10 af, is 40, en daar nog 5 af,
is 35." — Kijk, zoo moeten wij het ook den kinders leeren;
dan komt het rekenen van de school in overeenstemming
met het rekenen der samenleving; dan werpt het reken-
onderwijs dadelijk vruchten af voor het rekenen in het maat-
schappelijk leven; dan wordt het rekenen één organisch ge-
heel. Waartoe moet het eigenlijke rekenen opgaan in het
cijferen? Gebeurt dit niet dikwijls, vooral in de laagste en
de middelste klasse? Daarom deze nieuwe methode, waarbij
het rekenen uit het hoofd allesbeheerschend is. Zoodoende
leeren de kinderen de getallen vlug samenstellen en ontbin-
den. Daarom zullen zij later niet zoo licht verdwalen in de
bewerkingen van moeilijker vraagstukken.
E.
a. Handen naast de lei. Ik geef op. Luister! Piet had in
den spaarpot 36 cent. (Schrijft op, jongens!). Hij deed voor
buurman eene boodschap cn verdiende er 8 cent bij. (Schrijft
die 8 er onder). Van Oom Hein kreeg hij 7 cent, van
Grootvader 9 cent. Hoeveel centen is hij nu rijk? (Al die
getallen hebben de leerlingen netjes onder elkander. Ze tellen
op. Niet zoo: „6 en 8," maar zoo: „36 en 8 is 44, en 7
is 51, en 9 is 60 cent.") — Jongens: eene c er bij. Piet,
maak gij die op bord.
b. In den molen lagen 36 zakken graan. De molenaar haalt
er bij eerst 5, toen weer 5, toen 8, toen 6 zak. Hoeveel
zakken graan zijn er nu in den molen? (De onderwijzer zie
enkele leien na. Bertus, uwe lei kijk ik niet na: daar staat
geene z bij). Grietje, maak gij die som op bord. Goed uit-
leggen , meisje!
c. Een ons suiker kost 7 cent. Eeken uit, wat 5 ons kost.
Pie, hoeveel maal moet ge 7 cent opschrijven? Waarom vijf-
maal? Telt op, kinders!