Boekgegevens
Titel: Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Auteur: Laan, R.C.; Pelt, D. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5871
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201170
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Vorige scan Volgende scanScanned page
51
3 meisjes na, die gaan bikkelen. Hoeveel meisjes knnnen
tegelijk in de bocht wezen?
q. Dertig jongens zijn aan het slootjespringen, Dirk! Kom
dit zetten, jongen! 12 staan aan dezen kant, 1 zit er in het
water, hoeveel staan er aan den overkant?
r. Vader en Moeder ontvingen gisteren in de groote kamer
16 gasten. Moeder zette eene schaal met 25 perziken neer.
Hoeveel perziken bleven er over, toen allen (Vader en Moeder
dus ook) er 1 opgegeten hadden ?
Trui, Moeder wil aan allen weer 1 perzik geven. Hoeveel
moet zij dan nog wel laten brengen ?
s, Dora, 1 el katoen kost 20 cent. Zet dit. Hoeveel kosten
dan 2 el? Goed, En nu 3 el? En nu 4 el? En nu 5 el? Allen:
„1 el 20 cent,
2 el 40 cent, enz,
5 el 100 cent."
t. Ik had gisteren 3 dubbeltjes in mijn zak, Gerrit! Ik
kocht een zakdoek voor 1 kwartje. Hoeveel cent houd ik over?
u. Hoeveel pooten hebben 12 kippsn, Gerrit! En nu uwe
beurt, Gijsbert! Hoeveel pooten hebben 15 kippen? En 9
kippen? En nu 14 kippen?
V. Hoeveel pooten hebben 6 koeien. Doms I En nu 7 koeien ?
En nu 4 koeien? En nu 5 koeien?
w. Ik had 1 gulden, Willem, Ik kocht een potlood van
1 dubbeltje. Hoeveel over, Willem ? — Erits, uwe beurt. Toen
kocht ik eene plaat voor 10 cent. Hoeveel over? —Erits, toen
een koek voor 10 cent. Hoeveel over?
X. Moeder breidde 30 naadjes en Dora 14 naadjes. Hoe-
veel breidde Moeder er meer? Jansje uwe beurt. Goed uit-
leggen, hoor!
Eene vrouw had 50 cent op zak. Zij kocht eene el paars
voor 30 cent. Hoeveel cent houdt zij over?
z. Teunis had 1 gulden. Hij koopt eene pet van 80 cent.
Hoeveel cent houdt hij over?