Boekgegevens
Titel: Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Auteur: Laan, R.C.; Pelt, D. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5871
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201170
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Vorige scan Volgende scanScanned page
48
h. Tal Vau vraagstukjes wordt behandeld in den trant
van de vorige afdeeling, maar nu op het telraam. Alleen de
bovenste 2 rijen mogen gebruikt worden. 8 en 7 bijv. Neem
nu niet op de eene rij 8 en op de andere 7, maar zêg: „bij
de 8 zullen we alvast die 2 tellen, dan hebben wij er 10"
(die 2 moeten door eene kleine tusschenruimte gescheiden zijn
van die 8). Hoeveel moeten we nu er nog bijtellen? 2 is
geen 7, hoeveel komen we nog tekort? — Een ander voor-
beeld. Hoeveel is 7 naadjes en 6 naadjes en 5 naadjes? Jan,
kom gij bij het telraam. Eerst die 7 naadjes (voorgesteld door
de balletjes). Nu 6 naadjes er bij. Goed, goed: eerst die 3,
dat is 10. Hoeveel nu nog? Nog 3, juist. Samen? 13. Goed,
dat ziet ge nu van zelf. Nu nog 5. Samen? 18 naadjes. Nog
eens zij het gezegd: „gebruik alleen de bovenste 2 rijen van
het telraam; in geen geval die andere rijen." De kinderen
moeten leeren werken op de tienvouden als rustpunten, m. a w.:
zij moeten leeren rekenen met het arithmetisch complement.
c. Oefeningen op het telraam van 1 tot en met 30.
d. Tellen: 10, 20, 30, 40, tot 100. Zegt na:
„op 1 rij 10 ballen,
op 2 rijen 20 ballen,
op 3 rijen 30 ballen," enz.
e. Willem, kom hier. Uitrekenen op het telraam. Een
jongentje had 19 centen in zijn spaarpot. Zet dit op het tel-
raam. Hij verdient er 6 bij. Hoeveel heeft hij nu? Kom,
^Villem, vlug hoor! Eerst die 1, juist. Dat is al — 20. Hoe-
veel cent kreeg hij meer? „Nog 5, meester!" — Juist, jongen!
Hoeveel cent is dat nu? Zegt allen na: „6 is 5 en 1." Zegt
nu ook na:
„19 en 1 is 20.
20 en 5 is 25."
Dat jongentje had dus 25 centen. Wat kan hij voor al die
centen wisselen? — Dat jongentje geeft uit 8 centen, Marie.
Kom gij eens uitrekenen wat hij overhoudt. Goed. Eerst geeft