Boekgegevens
Titel: Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Auteur: Laan, R.C.; Pelt, D. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5871
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201170
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Vorige scan Volgende scanScanned page
40
L Dora moest 's ochtends 3, 's middags 5 en 's avonds
8 naadjes breiden. Hoeveel naadjes moest ze dien dag breiden ?
(Leien worden nagezien). Trijntje, maak die som op bord. —
Dora breidt er echter maar 14. Hoeveel naadjes komt ze tekort?
Den volgenden dag moet zij weer 17 naadjes breiden en
dan nog de naadjes, die ze den vorigen dag te weinig had-
Hoeveel naadjes breidt ze dien volgenden dag?
y. Op de tafel staan 16 koppen en schoteltjes. Moeder wacht
visite. 11 gasten komen. Hoeveel koppen en schoteltjes kunnen
er weggezet worden.
h. Vader, Moeder en 6 kinderen loopen den tuin in. Zij
komen bij den grooten appelboom. Lekkere roode appeltjes
kijken door de groene blaadjes. Wel 20 appelen slaat de
Vader af. Allen eten 1 appel op. Hoeveel appelen worden op-
gegeten ? Jongens, rekent nu uit, hoeveel appels er overblijven.
(Leien nazien). — Vader neemt die appelen mee. 's Avonds
krijgt elk kind nog 1 appel. Hoeveel blijven er over voor den
volgenden ochtend ? Teunis, reken gij het eens op bord uit. —
Den volgenden morgen krijgt elk kind weer 1 appel. Hoeveel
zijn er nu nog over? Uitrekenen hoor! Frits bij het bord.
l. Hoeveel kosten 6 broodjes, elk van 3 cent?
m. Hoeveel kosten 2 ons kaas, van 9 cent het ons?
n. Een winkelier heeft een dozijn guldens. Hij geeft daarvan
uit 7 gulden. (Uitrekenen). — Hij ontvangt weer 14 gulden.
Hoeveel heeft hij toen weer. (Uitrekenen). — Op de markt
geeft hij 18 gulden uit. Hoeveel heeft hij over? — (Niet
zeggen: „8 van 9 is 1; 1 van de 1 is O," o neen, volstrekt
niet. Zoo redeneeren: „19, en daar 18 af, is 1." Van ge-
deeltelijke verschillen of sommen weten we niet af bij de kleinen).
O. Moeder kocht van een tuinder 3 kooien voor 6 cent het
stuk. Zij gaf 2 dubbeltjes, hoeveel kreeg zij terug?
jo. Als 1 kaartje garen 2 cent kost, dan kosten
2 kaartjes garen----
3 kaartjes garen....