Boekgegevens
Titel: Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Auteur: Laan, R.C.; Pelt, D. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5871
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201170
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Vorige scan Volgende scanScanned page
S7
Hoeveel over? Jans, kom gij al die centen eens teekenen.
Streep door wat liij besteedt.
k. De onderwijzer teekene een koekje. Jongens, dit koekje
kost 4 cent. (Teekenen die 4 cent). Weer een koekje. Hoeveel
kosten die twee koeken? Weer een koek. Hoeveel kosten die
drie koeken? Weer een koek. Hoeveel kosten die vier koekjes?
Weer een koek, enz. — Zegt nu na:
„1 koek 4 cent.
2 kociken 8 cent.
•3 koeken 12 cent,
4 koeken 16 cent.
5 koeken 20 cent."
i. De onderwijzer teekene zes kippen en een haan in het
midden. Kinders, hoeveel hoenders ziet ge? Hoeveel hennen?
Hoeveel hanen?. — Hoeveel pooten heeft elk hoen? En al
die hoenders? Tellen: 2, 4, 6, 8, 10, 12, 14. Zegt na:
7 hoenders hebben 14 pooten." — Hoeveel pooten hebben
de hennen te zamen? Tellen. Zegt na: „6 hennen hebben
12 pooten." — Kinders, een kuikentje. (Teekenen). Hoeveel
hoenders ziet ge nu ? Hoeveel pooten ziet ge nu ? Zegt na:
„8 hoenders 16 pooten." — Weer een kuiken. Hoeveel
hoenders? Hoeveel pooten? Zegt na: „9 hoenders 18 pooten."
Afwisselende vragen. Hoeveel kuikens ziet ge ? Hoeveel pooten
hebben de kuikens te zamen? Hoeveel kippen zijn er meer
dan kuikens? — Weer een kuiken. Hoeveel hoenders? Hoe-
veel pooten? Zegt na: „10 hoenders 20 pooten." — Afwisse-
lende vragen. Hoeveel kippen ziet ge ? Hoeveel pooten hebben
die? Hoeveel pooten hebben, de drie kuikentjes? Hoeveel
kippen zijn er meer dan kuikens?
Een der kuikentjes krijgt een kam: 't is een haantje. Jongens,
hoeveel hanen ziet gij ? Hoeveel hanenpooten ziet ge ? Kinders,
hoeveel hennen ziet ge? Zegt na: „6 groote, 2 kleine, samen
8 hennen. Hoeveel pooten hebben die samen? Zegt na: „8
hennen 16 pooten." — Hoeveel van die beesten zullen eieren