Boekgegevens
Titel: Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Auteur: Laan, R.C.; Pelt, D. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5871
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201170
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Vorige scan Volgende scanScanned page
33
3 jongens hebben 9 knikkers.
4 jongens hebben 12 knikkers."
Zij gaan spelen. De onderwijzer teekene in het midden een
kringetje. Iedere knaap moet er 1 inzetten. Maarten, kom
gij dit eens op het bord veranderen. (Maarten ijvischt er 1
uit bij eiken jongen en plaatst die 4 knikkers in den kring).
Maarten, hoeveel heeft elke knaap er nog? Hoeveel hebben
ze met hun vieren nog? Jongens, wie ziet het? Zegt na:
„met hun vieren hebben ze 8 knikkers." Hoeveel staan er in
den kring? Samen? Zegt na: „8 en 4 is 12." — Kee,
kom hier en verander bij het spelen. De eerste jongen —
Jan heet hij — schiet er 2 uit den kring; die heeft hij ge-
wonnen, Kato, kom gij dit eens veranderen, Kinders, hoeveel
heeft Jan er nu ? De vierde, Eeinier genaamd, schiet de andere
2 uit. Verander gij dat eens, Kobus! Goed, goed. Nu is de
kring leeg. Trui, zeg nu eens van eiken knaap, of hij ge-
wonnen of verloren heeft; zeg ook, hoeveel hij won of ver-
loor. Eer we verder gaan. Trui, hoeveel had elk bij het begin?
Nu, meisje, zeg op. Goed. Jongens, zegt gij allen het eens;
ik wijs bij: „Jan won er 1, Karei verloor er 1, Leendert
verloor er 1, Eeinier won er 1." Zegt het nog eens. —
Christiaan, kunnen alle jongens niet winnen? Waarom niet,
jongen? — Hoeveel knikkers hebben ze ook met hun vieren?
Zegt na: „4 en 4 is 8; 8 en 2 is 10; 10 en 2 is 12." —
Nu gaan ze weer spelen. Ze zetten weer elk 1 in. Willem,
kom hier en verander. Hoeveel heeft elk voor zijn kant?
Hoeveel staan er in? Jan schiet er weer 2 uit. Karei ook,
(Willem is er gauw bij om dit te^veranderen in de teekening).
Jongens, wie heeft de minste? Wie de meeste? (Allerlei
vragen weder), — Weer gaan ze spelen. Nu schiet Jan er 2
uit en Karei de rest. Hoeveel verliest of wint elk? Mina, geef
gij dit .eens op. (Nazeggen in koor). Wie heeft er meer: Jan
alleen of de overige jongens samen? Zegt na: „Jan heeft net
zooveel alleen als de drie andere jongens samen." Wie heeft