Boekgegevens
Titel: Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Auteur: Laan, R.C.; Pelt, D. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5871
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201170
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Vorige scan Volgende scanScanned page
18
„1 broodje 3 centen.
2 broodjes 6 centen.
3 broodjes 9 centen."
SoSe, als moeder u een dubbeltje mee gaf, zoudt ge dan die
3 broodjes kunnen betalen? Hoeveel boudt ge dan over? Zegt
dus na : „10, en daar 9 af, blijft er 1 over."
f. De onderwijzer teekene een appelboom met een tak links
en een tak rechts. Aan den eersten tak 5 appels. Jongens,
hoeveel appels hangen daar? Tellen. — Aan den anderen kant
teekene hij er 1 bij. Jongens, hoeveel appels ziet ge nu? Zegt
dus na: „5 en 1 is 6." — Weer 1 er bij. Hoeveel zijn er nu
aan den rechterkant. Hoeveel appels ziet ge? Zegt dus na:
„5 en 2 is 7." — Jongens, welken tak hebt ge liever, den
linker- of den rechtertak? Hoeveel zitten er aan den eenen
tak meer dan aan den anderen? Weet ge het niet? Kijk,
hier 2, daar 2, dat is gelijk. Hoeveel schieten er dan aan
den linkerkant nog over? Zegt dus na: „5 is meer dan 2;
3 meer." Weer 1 appel er bij? Hoeveel appels ziet ge nu
rechts? Samen? Zegt na: „5 en 3 is 8.'' Hoeveel appels hangen
aan den eenen tak meer dan aan den anderen? Kom, kijkt
eens goed; hier 3, daar 3, dat is gelijk. (De onderwijzer be-
dekke met beide handen 3 en 3 of 6 appels). Hoeveel meer?
Zegt dus na: „5 is meer dan 3; 2 meer." — Kinderen, weer
1 appel. Jansje, hoeveel appels ziet ge nu? Hoe rekent ge
dat uit? Kinders, zegt na: „.5 hier, 4 daar, dat is 9 bij
elkaar." — Mina, aan welken tak zitten de meeste? Hoeveel
meer? Hoe weet ge dat? Kinders: „5 is meer dan 4; 1 meer."
Kinderen, weer 1 appel. Hoeveel appels ziet ge? Koo, hoeveel
appels aan eiken boom? Tellen. Kinders, zegt na : ,,5 en o
is 10." — Zouden die appels altijd blijven hangen, kinderen!
Wie het rechtste zit, mag er 1 komen afhalen. Marie, kom
gij eens hier. (Onder het lachen der medescholieren veegt
Marietje er driftig 1 uit). Marietje, hoeveel zijn er nu nog?
Goed, 9. Jongens, zegt na: „10, en daar 1 af, is 9." — Nu