Boekgegevens
Titel: Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Auteur: Laan, R.C.; Pelt, D. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5871
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201170
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Vorige scan Volgende scanScanned page
17
we nu eens kijken, wat hij voor zijn dubbeltje gekocht heeft.
Uorus, reken gij het eens na. Allen:
„Een taatstol van 3 centen.
Knikkers voor 1 cent.
Een vlieger van 3 centen.
Een drijftol van % centen.
Een doosje van 1 cent."
(Zoo enkele leerlingen nog in den war zijn, vereenige de
onderwijzer de laatste 3 centen door een boogje, waar boven
hij dan een taatstol teekent. Boven de volgende cent een
zakje met zes knikkers. Boven de volgende 3 centen een
boogje, waarboven een vlieger; enz. — Marie, zeg nu eens,
waaraan de centen besteed zijn, enz. Allerlei vragen weer.
Bijv.: Hoeveel cent kost de taatstol meer dan de drijftol?
Wat kost van die dingen het meest? Wat kan hij in die
doos bewaren? enz.).
d. Oefening in het schrijven der getallen van 1 tot 10.
Onderzoek, of de leerlingen ze van elkander kunnen onder-
scheiden.
e. De onderwijzer teekene een klein broodje. Jongens, dat
kost 3 centen. Zegt na: „1 broodje kost 3 centen." (Die
3 centen worden naast het broodje geteekend). De onderwijzer
teekene weer een broodje; er onder. Jan, kom gij er naast
zetten, hoeveel cent dit kost; tegelijk tellen, jongen! „4, 5, 6."
Zegt dus allen: „2 broodjes kosten 6 centen." Koos, als gij
een stuiver in uwe hand hadt, zoudt gij dan die 2 broodjes
kunnen koopen? Hoeveel cent moet gij dan nog hebben?
Zegt dus na: „6 cent is meer dan 1 stuiver." Ook dit: „dan
heb ik 1 cent te kort." Mina, teeken gij op bord ook een
broodje. Zet de centen er achter, Mina, en tel dan meteen
verder. Hoeveel hebben we er al? 6; juist. Allen nu; „7, 8, 9."
Hoeveel kosten nu drie broodjes? Zegt na: „3 broodjes kosten
9 centen." Zegt nu allen eens na:
2