Boekgegevens
Titel: Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Auteur: Laan, R.C.; Pelt, D. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5871
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201170
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Vorige scan Volgende scanScanned page
16
hoeveel centen er nu zijn. Die eerste 5 tellen we niet meer,
dat is overbodig. 5 zijn er dus al. Telt verder: „6, 7, 8, 9,10.''
10 centen dus. Zegt na: „2 stuivers is 10 centen." Zegt ook
na: „1 dubbeltje is 2 stuivers waard." — Marie, kom eens
hier. Dat dubbeltje is van een aardigen jongen. Herman ge-
naamd. Hij koopt een taatstol van 3 cent. Streep die 3 centen
door. Tel dan met 1 af.-Goed, goed. Zegt na kinders: „10^
en daar 1 af, is 9." En nu: „9, en daar 1 af, is 8." En
nu: „8, en daar 1 af, is 7." „Herman houdt dus 7 cent
over." Zegt dit na. Zegt ook na: „10, en daar 3 af, is 7."
Marie, u bent nu toch bij het bord, streep weer door. Herman
koopt een cent knikkers. Goed, Marie. Hoeveel over? Zegt
na: „7, en daar 1 af, is 6." Willem, hoeveel centen heeft
Herman al uitgegeven? Goed. Zegt allen na: „eerst 3, toen
nog 1, samen 4." „Zegt ook na: „10, en daar 4 af, is 6."
En nu: „6 en 4 is 10." Koos, kom gij eens hier. Herman
koopt nu een vlieger van 3 cent. Doorstrepen en aftellen.
Alle kinders: „6, en daar 1 af, is 5; 5, en daar l af, is 4;
4, en daar 1 af, is 3." 3 cent over dus. Zegt na: „6, en daar
3 af, blijven er 3 over." Erits, wat heeft Herman reeds ge-
kocht? Goed. Zegt allen na: „'hij kocht een taatstol, een cent
knikkers en een vlieger." Mina, reken gij eens uit, hoeveel
centen hij besteed heeft. Goed, goed. Kinders, zegt na: „eerst 3,
toen 1, dat is 4; toen weer 3; samen 7." Hoeveel over? Zegt
dus na: „10, en daar 7 af, blijven er 3 over." Dat is te be-
grijpen, kinders, want 7 en 3 is — ja: 10. Nu koopt hij een
drijftol van ] cent. Hoeveel houdt hij er over. Dirk? Zegt
na: „3, en daar 1 af, is 2." Dirk, hoeveel cent heeft hij
besteed? Reken dit nog eens na. Goed, goed. Joost, hoeveel
tollen heeft Herman nu? Hoeveel kosten die tollen samen?
Jongens, hoeveel kost de vlieger ook. Zegt allen na: „10, en
daar 8 af, blijven er 2 over." Die 2 cent besteedt hij voor
een doosje. Hoeveel over? Zegt na: „Hij heeft niets over."
Ook dit: „Hij heeft al zijne centen besteed." Jongens, laten