Boekgegevens
Titel: Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Auteur: Laan, R.C.; Pelt, D. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5871
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201170
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Vorige scan Volgende scanScanned page
4
ze gebleven, Marie? Goed, goed! (Door deze plastiscke voor-
stelling zijn de leerlingen als het ware bij de handeling ge-
plaatst. Neem de proef, en ge zult zien, dat de kleinen nog
precies weten te zeggen, hoeveel peren er waren, waar ze
gebleven zijn, enz., nadat alles uitgewischt is. Het voorstellings-
vermogen en het geheugen worden ook gescherpt).
d. Met vier lange strepen teekene de onderwijzer eene
kamer, voorts een kleinen jongen, blootshoofds. Herman is
jarig; hij wacht visite. Kijk, daar komt zijn neef Jan al aan.
(Teekenen buiten de kamer een jongentje met eene pet op).
Hoeveel jongens ziet ge nu? Zegt na: „1 jongen en nog
1 jongen, dan zijn er 2." Kijk, aan den anderen kant komt
zijn kameraad Hein aan. (Teekeuen uan de andere buitenzij
der kamer een jongen met een strooien hoed op). Hoeveel
jongens komen naar Herman toe? Hoeveel kinderen ziet ge
geteekend? (Een der leerlingen moet nog eens vertellen, wat
de onderwijzer al heeft medegedeeld). Kijk, daar komt Piet
van den bakker ook aanloopen. (Deze worde geteekend aan
de derde buitenzijde der kamer). Hoeveel Jongens ziet ge nu
aankomen? Wie zit te wachten? Hoeveel jongentjes ziet ge?
Zegt na: „3 en 1 is 4." Kijk, nichtje is ook verzocht; daar
komt ze aan. (Teekenen aan de vierde buitenzijde der kamer).
Hoeveel kinderen ziet ge op visite komen? Juist, 4. Zegt
dan na: „4 kinders komen op visite." Wie zit te wachten?
Hoeveel kinderen zullen er straks bij elkander zijn? Zegt na:
„4 kinders, en daar nog 1 bij, dan zijn er 5." Hoeveel jongens
zullen er dan zijn? Hoe heeten ze? Hoeveel jongens ziet ge
aankomen ? (Een enkele leerling zal zich met de beantwoording
dezer laatste vraag vergissen; hij zal zeggen: „4 jongens," De
andere leerlingen merken dit op en hebben schik; lachend
zegt de onderwijzer: „Is nichtje dan ook een jongen?" Zóó
moeten ze wel leeren opletten, zóó merkt de onderwijzer of
hij begrepen wordt of niet). Één jongen gaat naar binnen.
(De onderwijzer vri ')laatse dien knaap naar binnen). „Dag