Boekgegevens
Titel: Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Auteur: Laan, R.C.; Pelt, D. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5871
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201170
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Vorige scan Volgende scanScanned page
peer. Hoeveel zijn er nu? „Juist, 4 peren. Laten we nog
eens tellen. — Vader slaat tegen den tak aan. (Eeue der peren
valt; de onderwijzer grijpe in een oogwenk de spons en wissche
die uit, terwijl hij met de andere hand die peer teekent op
den grond, welke eveneens door eene streep is aangeduid).
Die peer is alvast voor Jan. Hoeveel peren heeft Jan nu?
Zegt na: „1 peer is er af." Hoeveel hangen er nog? Juist, 3.
Zegt na: „4, en daar 1 af, dan zijn er nog 3." — Kijk,
daar gaat de grootste ook, (Uitwisschen en weer teekenen op
den grond. Doet de onderwijzer dit gauw, dan is het den
kleinen net, of ze de peer zien vallen; 't is dan net, of ze
er bij zijn). Wat is Jan blij! Hoeveel heeft hij er nu al?
Hoeveel peren hangen nog aan den boom? Hoeveel peren
hebben er daar straks gehangen? Juist, 4. Zegt na: „4, en
daar 2 af, blijven er 2 over." „Dank je. Pa!" zegt Jan.
„Wacht, jongen! je zusje moet er ook eene hebben." De
vader slaat. Daar rolt er weer eene. Jongens, hoeveel zijn er
nu al gevallen? Juist, 4. Zegt na: „4 en daar 3 af, is 1."
Hoeveel peren heeft Jan? Hoeveel zijn zusje? De laatste peer
wordt ook afgeslagen. Die is voor het buurjongentje, dat aan
het hek staat te kijken; ziet ge, die jongen is de kameraad
van Jan. Hoeveel peren zijn er van den boom af? Juist,
alle 4. Wie van de jongens kan me zeggen, waar ze gebleven
zijn? Goed, goed! Zegt na: „Jan 2, zijne zus 1, zijn kameraad
ook 1." — Jan eet er 1 op? (De onderwijzer vege die uit).
Hoeveel heeft hij er nog ? Hoeveel peren ziet ge nog ? Juist, 3.
Van wien is deze peer? En die? En die? Koos, zeg gij dat
eens. Wie heeft de meeste? Zegt na: „ieder heeft 1 peer."
Zijn kameraad eet de zijne ook op. Hoeveel ziet ge nu nog?
Van wien zijn die? Zijn zusje eet de hare ook op. Hoeveel
ziet ge er nog? — Van wien is die eene? Wie heeft er 1 op?
Karei, zeg gij dat eens. Zegt na allen na: „ieder heeft er 1
op." Jan eet de laatste ook op. Daar gaat ze. Hoeveel zijn er
nu nog? Zegt nu na: „alle 4 de peren zijn op." Waar zijn