Boekgegevens
Titel: Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Auteur: Laan, R.C.; Pelt, D. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5871
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201170
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Vorige scan Volgende scanScanned page
96
Zoo ook deze:
lr. + /l .ct. 1 r.H f- 60 ct. := . ct. 2 r. + 20 ct. = . ct.
Ir. —2kw. = .ct. 1 r. H h 6 kw. = . ct. 4 r. — fl = . ct.
Ir. —10 dubb. = .ct. 2 r. . ct. 6 r. -/3 ct.
1 r. + 1 h.g. = . ct. 4 r. . ct. - 2 r. = . ct.
Ir.—Ih.g. = . ct. 6 r. . Ct.|/' 2 — 24 st, = . ct.
Vele oefeningen in dien trant. De leerlingen moeten bij de be-
handeling vraagstukjes geven, die op de opgave betrekking hebben.
Als voorbeeld een Stal.
I. Jan had een gulden in den zak. Hij kocht 4 pijpen van
een kwartje het stuk. Hoeveel hield hij over?
II. Een werkman verdiende per dag een rijksdaalder. Gisteren
deed hij een karreweitje 's avonds en verdiende daarmee
een gulden. Hoeveel had hij dien dag verdiend?
III. Eene vrouw kocht voor vier harer kinderen een paar pan-
toffels van een gulden het paar, en voor haar oudsten zoon
een paar schoenen van 225 ct. Hoeveel cent moest zij betalen?
IV. Een timmermansjongen verdiende elke week een rijks-
daalder. Laatst had hij eene week eiken avond met over-
werken een kwartje verdiend. Hoeveel loon bracht hij
toen thuis?
V. Kleine Mietje had 21 cent iu haar spaarpot. Zij mocht
er 9 cent uitnemen, om een bal te koopen. Hoeveel
centen bleven er nu nog in den spaarpot?
i. Herhaling der oefeningen met de tafels van vermenig-
vuldiging en toepassing op vraagstukjes uit 't dagelijksch leven,
als: Een kan karnemelk kost 3 cent, wat is dan de prijs van
2 — 3 — 5 — 7 — 9 — 10—18 — 14 — 6 — 12 — 24 —
9 — 27 — 81 — 10 — 20 — 40 — 60 — 80 kan. — Zoo:
1 kan karnemelk = 3 ct.
2 kan karnemelk = 6 ct., enz.
NB. Doe de leerlingen opmerken, dat 10 kan, 2 X 5 kan is. Zij
hebben dus den prijs van 5 kan, slechts 2maal te nemen. Eveiizoo
met 9 en 18, en meer andere.