Boekgegevens
Titel: Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Auteur: Kuyper, J.
Uitgave: Leeuwarden: Hugo Suringar, 1878
Leeuwarden: Corporatieve Handelsdrukkerij
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-562
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201128
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Vorige scan Volgende scanScanned page
56
sers met de Franken, moet men het er voor houden dat
de Friesche stammen na het verdwenen der Batavieren en
andere vroegere bewoners geheel noordwestelijk Ne-
derland bewoonden; de Maasmonden scheidden hen van
de Franken die meer oostelijk over de Maas drongen, doch
zich niet noordelgker dan de Waal vestigden, terwijl de
later uit het oosten dalende Saksers hun gebied niet ver-
der westwaarts uitstrekten dan totdeütrechtsche Vecht,
en de beide eerstgenoemde volksstammen dus voor een goed
deel van elkander scheidden. De oude gebruiken, nog heden
in herinnering, het oude landrecht, de tongvallen en soort-
gelyke zaken wijzen thans meer dan lichaamsbouw of ge-
laatstrekken de grenzen aan van de drie volkeren, waaruit
onze natie is ontsproten.
§ 45. Het spreekt van zelf, dat hetgeen wij omtrent het
uiterlijk in algemeene trekken mededeelden, niet overal van
toepassing is; in de steden, vooral waar veel fabrieken zgn,
Igdt de gezondheid reeds vroegtgdig, — de kleiboer is
in den regel forscher gebouwd en uitgegroeid, dan de zand-
en heidebewoner, — de vrouwelijke bevolking der noorde-
lijke gewesten is mooier, die der zuidelijke provinciën schooner,
zou men kunnen zeggen; het zoogenaamd Hollandsch
mooi — een rond, blond, vriendelijk gelaat — vindt men in
Noordbrabant niet terug, doch enkele malen treft men
daar edele gelaatstrekken onder de vrouwen aan; onder al-
len is de Zeeuw SC he landbevolking van de beide sek-
sen het minst van plompheid te beschuldigen en wint het
daarin waarschijnlijk van de overigen.
§ 46. De kleeding, die zeer zeker tot de eigenaardig-
heden van onzen boerenstand behoort en vroeger meer dan
thans ook in de steden werd gedragen, kan de goedkeuring
van de meesten niet wegdragen; eene in enkele strekendoor
korte lijfjes onverantwoordelgk misvormde figuur, — het
hoofddeksel, dat, hoe kostbaar ook, eigenlijk het meest
gelijkt op een verdedigingswerktuig , — het gemis van n a-
tuurlijke lokken aan die hoofdbekleeding dikwerf opge-
offerd , waren steeds zoo vele grieven, die echter door de
hand des tijds worden weggeruimd, al gaat het langzaam,
maar reeds worden de Noord-Hollandsche korte lijfjes
geringer in aantal en wint de wyde rok zelfs hier en daar veld.