Boekgegevens
Titel: Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Auteur: Kuyper, J.
Uitgave: Leeuwarden: Hugo Suringar, 1878
Leeuwarden: Corporatieve Handelsdrukkerij
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-562
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201128
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Vorige scan Volgende scanScanned page
45
1
dat van de honderd winden, die in tien jaar tijd te ütr ec h t
gewaaid hebben, kwamen uit het
Zuiden 7 Westen 7 Noorden 5 Oosten 3
Z-z. westen 7 W.-n.westen 6 N.-n.oosten 5 O.-z.oosten 2
Zuidwesten 7 Noordwesten 7 Noordoosten 8 Zuidoosten 5
W.-z.west. 10 N.-n. westen 5 O.-n.oosten 6 Z.-z.oosten 5
De heftigste stormen, die onze kusten het ernstigst bedrei-
gen, waaien gemeenlyk uithetwesten en noord-westen.
§ 35. Zonneschyn en vochtigheid helpen den bodem voort-
brengen wat de landbouwer er aan toevertrouwt, en het is
derhalve wel waard dat wij daarbij een oogenblik toeven :
gemiddeld rekent men in ons land op 150 regendagen,
waarbij men een enkel los regenbuitje niet mede in rekening
brengt; al de overige dagen van het jaar blakert de zon ons
evenwel niet, althans niet even krachtig, want nevels, mist
en dampen temperen haar schijnsel menigwerf, vooral in de
herfst- en wintermaanden; bovendien zijn die regendagen in
ieder jaar niet even talryk, hetgeen het jaar 1876
ook duidelijk bewezen heeft; dat cyfer wisselde af van 105
tot 182, blykens de waarnemingen van tien jaren. Zonder
dat het tot regen komt, bevat de dampkring, vooral boven
ons kustland, altyd eene groote hoeveelheid waterdeelen,
en dat daarin ook groote iafwisseling heerscht, blijkt uit de
uitkomsten der waarnemingen die gemeenlijk tusschen 72 en
92 deelen waterdamp variëeren, doch aantoonen dat op 1 April
1856 slechts 15, in Januari 1850 wel 96 zulke deelen aan-
wezig waren. De meeste regen valt hier gemiddeld in
zomer en herfst, de lente is het droogste jaargetijde; toch
merkt men niet het groote onderscheid op dat men in de
keerkringlanden bespeurt, waar in het droog seizoen geen
druppel regen valt en de natte moesson zich door stortbuien
kenmerkt; zoo belangrijk is het verschil hier niet, want ge-
durende veertien jaren viel er gemiddeld in den zomer 217 ,
in den herfst 196, in den winter 170 en in de lente 141
millimeters regen, sneeuw of hagel; dat deze hoeveel-
heden zich evenwel zeer ongelijk verdeelen over enkele zeer
regenrijke dagen blykt onderanderen daaruit, dat volgens de
waarnemingen op het meteorologisch observatorium op 21 Au-
gustus 1858 te Utrecht 74 mm. nederviel. De gemiddel-
de totale nederslag schijnt in Nederland in het jaar ruim
7Vj d.m. te bedragen; de meerdere nabyheid van de zee