Boekgegevens
Titel: Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Auteur: Kuyper, J.
Uitgave: Leeuwarden: Hugo Suringar, 1878
Leeuwarden: Corporatieve Handelsdrukkerij
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-562
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201128
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Vorige scan Volgende scanScanned page
16
turn, Schiermonnikoog en Ameland en de Groning-
sche en Friesche kusten gelegen, loopen op enkele vaar-
waters na bi) elke ebbe gemeenlijk droog; men heeft ze met
den naam van Wadden bestempeld. Een dijk van de vaste
Friesche kust bij Holwerd naar Ame 1 and gelegd, keert
den vloed en is bestemd de aanslibbing en latere inpoldering
te bevorderen.
§ 15. Buitendien vormt de zee eenige inhammen of gol-
ven als:
a. De Dollart tusschen de provincie Groningen en
Oost-Friesland, eigenlijk de breede mond of uitstrooming
van de Duitsche rivier de Eems, in 1277 door een onstui-
migen vloed gevormd en thans, vooral aan de zuid- en west-
zyde, weder langzamerhand door inpolderingen aan de golven
ontwoekerd wordende; de Westerwoldsche Aa ontlast er
zich in.
h. De Lauwerszee, tusschen Groningen en Fries-
land, waarin zich door sluizen ontlasten het Eeitdiep, de
Lauwers een grensriviertje, en de Ee: deze zeeboezem slikt
meer en meer toe en is derhalve op enkele geulen na zeer
ondiep.
c. De Zuiderzee tusschen Friesland, Overijsel,
Gelderland, Utrechten Noord-Holland, met de
Noordzee gemeenschap hebbende door de Wadden, het
breede zeegat tusschen Ameland en Terschelling of het
Friesche gat, den Vliestroom tusschen Terschelling en
Vlieland, het Eierlandscbe gat tusschen Vlieland
en Texel, en het Marsdiep tusschen dat eiland en het
vasteland van Noord-Ho Wand. Vroeger was deze boezem
een binnenmeer, doch in de 13de eeuw schijnt eene gewel-
dige doorbraak zee en meer tot één grooten plas te hebben
vereenigd, nadat verschillende hooge vloeden reeds breede
inhammen hadden gevormd. De eilanden Wieringen, ürk
en Marken zijn overblijfselen van het voormalig land.
Door het ondiepe Pampus had de Zuiderzee in het
zuidwesten gemeenschap met een kleineren inham, het IJ, dat
met het Wij kerm eer diep landwaarts indrong en Noord-
Holland tot een schiereiland maakte; thans is die breede
waterarm door indijking en doorgraving der duinreeks in een
uitnemend kanaal herschapen. De Goudzee tusschen Mar-