Boekgegevens
Titel: Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Auteur: Kuyper, J.
Uitgave: Leeuwarden: Hugo Suringar, 1878
Leeuwarden: Corporatieve Handelsdrukkerij
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-562
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201128
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Vorige scan Volgende scanScanned page
■256
staande Nickérie, eindelijk de Corantgn, welke onze be-
zittingen van de Britsche scheidt; door den rüstigen loop in
het lage land zgn daar allen bevaarbaar, doch hooger op
belemmeren rotsen en watervallen de vaart.
Rijker aan voortbrengselen uit het planten- en dierenrgk
is geen land; wg noemen onder de e ersten: suiker, koifie ,
rijst, katoen, kakao, vanielje, indigo, banannen, specergen,
oranje-appelen, citroenen, kokosnoten, allerlei vruchten, zoo-
als ananassen, geneeskruiden, verfhout, edel werkhout, aloë
en gommen; en van het dierenrijk: de in verhouding tot de
oppervlakte onbelangrijke veestapel — paarden , runderen
(ongeveer 3300 stuks), schapen, geiten en varkens, — tij-
gerkatten, wilde zwijnen, tapiers, herten, apen, schildpad-
den, slangen, eene menigte bontgevederde vogels, velerlei
insekten en visschen. Aan delfstoffen is de bodem, voor
zoover hg is onderzocht, buitengemeen arm, aan de boven-
rivieren werden echter in de laatste jaren noemenswaardige
hoeveelheden goud gevonden, zoodat aan verschillende ver-
eenigingen en partikulieren, met name aan de boven-Suri-
name, gronden in concessie zijn afgestaan om goud te delven.
§ 182. De bevolking is dun gezaaid, want in de kolonie
leven slechts 50000 inwoners, waaronder ongeveer 700 Europe-
anen en 4 — 5000 Chineesche immigranten; voegt men daarbij
de in het binnenland gevestigde boschnegers (nakomelingen van
weggeloopen slaven) en enkele Indianenstammen, dan stijgt het
geheele cper nauwlijks tot 60000 zielen. Deze zgn sedert 1864
allen vrije lieden, want toen is tegen eene vergoeding aan
de eigenaars de slavernij afgeschaft, en werden de voormalige
slaven, onder toezicht van de Regeering, gehouden zich tot
werken aan te melden, met vrijlating op welke plantage zij
hunne diensten zouden willen aanbieden; in 1873 eindigde
deze voorloopige toestand en moest men toen afwachten of
zg zich vrijwillig tot den arbeid zouden willen verbinden;
het is echter te bejammeren dat de lust tot den arbeid even
gering blijkt te zijn als de prikkel, welke er toe dringt,
want in dit vruchtbaar land, onder zulk een warmen hemel,
heeft de bewoner al zeer weinig behoeften, tenzij hij door
meerdere beschaving ook meerdere behoeften heeft leeren
kennen; en niettegenstaande meer dan de helft der vroegere
slaven, grootendeels door de bemoeiingen der Moravische