Boekgegevens
Titel: Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Auteur: Kuyper, J.
Uitgave: Leeuwarden: Hugo Suringar, 1878
Leeuwarden: Corporatieve Handelsdrukkerij
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-562
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201128
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Vorige scan Volgende scanScanned page
15
de karigheid der natuur voort; vooral ook de onver-
deelde marke-gronden der uitgestrekte gemeenten onzer
oostelgke provinciën zijn een struikelblok voor de ontwikke-
ling , en het is dus een verblijdend verschijnsel te zien hoe
langzamerhand de overtuiging veld wint, dat het geringe
voordeel, door de gezamenlijke eigenaars van de beweiding of
plaggen-afgraving te trekken, in geene verhouding staat tot
de winsten die men kan behalen, wanneer het heideveld of de
gemeente-weide is verdeeld en toegewezen: niemand droeg
zorg voor het gemeengoed, ieder spant alle krachten in om
zyn partikulier eigendom te verbeteren.
11. WATER.
§ 14. De Noordzee bespoelt de noordelijke en westelijke
kusten, die dus aan den vloed zijn blootgesteld; daar zij
meestal met een vlak en zandig strand in zee afloopen, is
de toegang tot onze kusten over het algemeen zeer lastig,
dikwijls op groote afstanden onmogelijk, behalve voor plat-
boomde vaartuigen, gelijk visscherspinken. Zandbanken be-
geleiden ze tot op verren afstand in zee en liggen soms
dwars voor de riviermonden en de weinige zeegaten welke
voor groote schepen genaakbaar zijn, zoodat ons land daar-
door aan de zeezijde voor een goed deel beveiligd wordt, niet
alleen voor onverhoedsche vyandelijke aanvallen, maar ook voor
de woede der golven (§ 3). Daar deze echter bij volzee of vloed
nog krachtig genoeg hunnen invloed uitoefenen, heeft men
overal, waar de lage kust niet door eene min of meer breede
duinreeks wordt beschermd, sterke dammen of dijken aan-
gelegd, die het binnenland, dikwerf beneden het zeepeil ge-
legen, voor herhaalde overstroomingen vrijwaren.
Dat de dijken geëvenredigd moeten zyn aan den drang van
het water bij den vloed, spreekt van zelf, en die is zeer
verschillend: bij Delfzijl is de middelbare vloed + 1,17
en de middelbare ebbe — 1,42, verschil 2,59 M.; vóór het
Marsdiep + 0,16 en — 1,11, verschil 1,27 M.; bij Hel-
voetsluis + 0,67 en — 0,88, verschil 1,55 M.; bij Vlis-
singen + 1,82 en — 1,68, verschil 3,50 M.
De ondiepten der Noordzee, tusschen de eilanden Rot-