Boekgegevens
Titel: Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Auteur: Kuyper, J.
Uitgave: Leeuwarden: Hugo Suringar, 1878
Leeuwarden: Corporatieve Handelsdrukkerij
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-562
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201128
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Vorige scan Volgende scanScanned page
■219
voor ruwheid en sluwheid, tot men eindelijk op Nieuw-Guinea
een volslagen wilden staat aantreft.
De Celebeezen , met name de Makassaren en Boegi-
ueezen, hebben weder gansch andere karaktertrekken en zijn
niet zoo vredelievend; in onzen dienst evenwel worden zij ge-
trouwe soldaten, terwyl de Molukkers betere zeelieden zijn.
Als overgang naar het donkerbruin ras noemen wij in de
eerste plaats de nog onbeschaafde, vrij woeste Borneoten:
de hoofdstam is die der Dajaks; minder ruw zijn hunne
stamverwanten, in de binnenlanden van Celebes en op de meer
oostelijke eilanden als Alfoeren bekend; dezen zijn op hunne
beurt te onderscheiden van de op veel lager trap staande
Papoea's op en nabij Nieuw-Guinea, een leelijk en verra-
derlijk negerras, en van de menschenetende Batta's in Suma-
tra's binnenlanden. Bijna overal echter kan de Europeaan
vrij verkeeren, zonder bemoeielijkt te worden; de inboorling
ziet in hem gemeenlijk een beschermer tegen de mohamme-
daansche Maleiers, zijne verdrukkers, wier godsdienst en
willekeurig bestuur beide, door hem worden verafschuwd.
Nevens deze inboorlingen vinden wij vooral op Java, Borneo
en Bangka een groot aantal C h i n e e z e n, even als overal
vlijtig en eenvoudig van aard, hier landbouwer of myn-ont-
ginner, elders handwerksman of pachter van opbrengsten,
steeds er op uit zich ten koste van den inboorling te verrij-
ken en zich zelden met hem vermengend. Arabieren en
andere vreemde Oosterlingen zijn er minder talrijk, doch vooral
gevestigd in havenplaatsen; door kloekheid en stoutmoedig-
heid wisten enkele zich tot bestuurders der inlanders op te
werpen, de meeste zijn zeehandelaars en zeevaarders, som-
mige maken zich aan zeeroof schuldig.
Het minst talrijk, te zamen geen 35000 zielen, zijn de
Europeanen en hunne afstammelingen; nogtans hebben
dezen de oppermacht in handen; maar om die te behouden,
moeten zij door voorbeeld en gedrag een gunstigen indruk
op hunne minder beschaafde natuurgenooten maken. Zij staan
niet slechts aan het hoofd van het bestuur maar ook van
verreweg de meeste handelsondernemingen en fabrieken, zooals
suikerbereiding, houtzagerij, scheepsbouw, machinefabrieken,
kunst-ijsvervaardiging, tabaksplantages en soortgelijke takken
van nijverheid. Hun aantal bedraagt nauwlijks dat der
Chineezen 1^4%) dat der Arabieren en overige Oosterlingen