Boekgegevens
Titel: Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Auteur: Kuyper, J.
Uitgave: Leeuwarden: Hugo Suringar, 1878
Leeuwarden: Corporatieve Handelsdrukkerij
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-562
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201128
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Vorige scan Volgende scanScanned page
■218
men rhinócerossen, tapirs en kleine maleische beren; slechts
op Sumatra den olifant en grooter beren
Nevens deze en nog vele andere soorten van zoogdieren prijkt
een heirleger van vogels met den schitterendsten kleurendos
en wedijvert met de apen in luidruchtigheid, ofschoon de zang-
vogels er geheel ontbreken; hoenders, duiven, eendvogels en
talrijke steltloopers, prachtige paradijsvogels en allerlei vriende-
lijk klein gevogelte worden slechts zelden door roofvogels ver-
ontrust, maar zg vinden hunne vijanden onder de veelvuldige
slangen; krokodillen en hagedissen en schildpadden komen ook
overal voor; afzonderlijke vermelding verdienen ook de week-
dieren wegens de groote verscheidenheid van fraaie schelpen,
of omdat zij dienen tot voedsel van den inlander, of wegens
de paarlen die zy leveren. Onder de lagere diersoorten mogen
de lastige witte mieren evenmin als de nuttige bijen en de
eetbare tripang vergeten worden; maar wat eet de Oosterling al
niet? tot het slijmerige nestje van den salangaan of klipzwaluw
toe. De visseherij is in den geheelen Archipel van groot belang,
het minst evenwel op Madoera; de meeste soorten van zee-
en zoetwater-visch worden door een groot deel der bevolking
als voedsel op hoogen prys gesteld, terwyl de cachelot het
spermaceti levert.
§ 166. Ofschoon de geleerden het nog niet geheel eens
zyn, schynt men de bevolking der eilanden te kunnen on-
derscheiden in Mal eis che rassen en zoogenaamde Austra-
lische negers, die tegenwoordig meestal naar de binnenlanden
verdrongen zijn en op een veel lager trap van ontwikkkeling
staan dan de bewoners der kusten en van die landstreken waar
geregelde bebouwing van den grond plaats grijpt. De eigenlyke
Maleiers behooren te huis op Sumatra en westelijk Java:
zij zijn geelbruin, sluikharig, welgevormd en dweepziek mo-
hammedaansch; velen varen ter zee, hetzij als handelaars,
hetzij als zeeroo vers. Nauw aan hen verwant zijn de Javanen,
gewoonlijk vreedzame landbouwers, eveneens Mohammedanen,
doch minder dweepziek. De ontwikkeling van den geest is
op Java het grootst; in 't algemeen neemt de reeds beperkte
beschaving in de richting naar het oosten af en maakt plaats
1) In 1870 werden op Java 165, en in de Buitenbezittingen 300 menschen
door wilde dieren verscheurd; tijgers en krokodillen zijn de ergste vervolgers van
den inboorling.