Boekgegevens
Titel: Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Auteur: Kuyper, J.
Uitgave: Leeuwarden: Hugo Suringar, 1878
Leeuwarden: Corporatieve Handelsdrukkerij
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-562
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201128
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Vorige scan Volgende scanScanned page
■215
ruim 3500 meter), Bali, Lombok en Soembawa; op Sumatra
rijst cle lange keten, die zich langs de westkust uitstrekt,
niet zoo hoog, en op Borneo kent men weinig toppen, die
veel hooger dan 2000 meter zijn. Aan den N. O. hoek van
dit eiland verrgst evenwel buiten ons gebied de 4000 meter
hooge Kinabaloe. Op geen der eilanden reiken de bergspit-
sen dus tot de sneeuwgrens; op de hoogste toppen vindt de
rhinoceros nog rietachtig gras.
De grillige gedaante van vele dezer eilanden (Celebes en
Halmaheira zijn in dit opzicht merkwaardig) wordt door
die gebergten bepaald; de veelal steile kusten maken de
meeste eilanden rijk aan natuurlijke havens. De oostkust
van Sumatra, de westkust van Borneo en Java's noord-
kust evenwel zijn zeer vlak, zoodat het levendig verkeer,
dat de handel met deze vruchtbare streken onderhoudt, op
laatstgemelde kust den aanleg van kunstmatige havens of het
ankeren op soms niet geheel veilige reeden noodzakelijk
maakt.
Nergens is de bodem vruchtbaarder dan op Java en
sommige der kleinere eilanden; over het algemeen zijn de
westelijke eilanden het meest bevoorrecht en neemt de bebouw-
baarheid van den grond naar het oosten af, zoodat de Moluk-
ken in den i-egel slechts voor bijzondere teelten — specerijen
enz. — geschikt zijn; maar ongetwijfeld is de vruchtbaarheid
van den geheelen Archipel de grootste bron van welvaart voor
de bewoners en van rijkdom voor de handelaars en de onder-
nemers van ontginningen. Hier en daar treedt het delfstof-
fenrijk wel op den voorgrond: Bangka en Billiton leveren
tin, Borneo goud, diamanten en steenkolen, terwijl Sumatra
waarschijnlijk ook rijk is aan die brandstof, maar toch blij-
ven landbouw, veeteelt en bosch kuituur hoofdzaak
als onuitputtelijke schatkamers voor de dikwerf dicht opéén-
gehoopte bewoners.
Door de vulkanische bestanddeelen van den bodem zijn vele
eilanden rijk aan warme en geneeskrachtige bronnen, van
welke evenwel vooralsnog weinig partij wordt getrokken; bekend
zijn verschillende mofetten of giftholen en vooral het zooge-
naamd Doodendal aan den voet van het gebergte Diëng, allen
vervuld met koolzure dampen,
§ 164. Ofschoon de verschillende voortbrengselen bij de be-